Dak Helling 1998-05-22 "Dakelement gaat voorbij aan hygro-thermische aspecten rietdek"

In januari introduceerde Unidek een dakelement voor rietdekkers. Bouwtechnisch adviseur Th. de Fouw vraagt zich af of de rietdekker wel mee heeft mogen denken bij de ontwikkeling van dit element. Zelf heeft hij er zijn twijfels over gezien de inhoud van de door de Vakfederatie Rietdekkers in september '97 uitgegeven brochure met de titel 'Hygro-thermische aspecten van het rieten dak'.

Begin dit jaar bracht Unidek een element op de markt, speciaal ontwikkeld voor rietdekker. Het betrof de HD.5 DLG. Het element werd voorzien van hogere tengellaten in verband met de riethaak van de dakdekker. Het 'oplengen' van de tengellaten zoals bij de conventionele elementen nodig was om de nodige zeven centimeter ruimte onder de latten te verkrijgen, is bij het nieuwe element niet meer nodig. Allemaal goed en wel, vindt bouwtechnisch adviseur Th. de Fouw uit Rijswijk. Maar heeft Unidek ook oog gehad voor de hygro-thermische aspecten? Zelf waagt hij het te betwijfelen. Volgens de bouwtechnisch adviseur zal de vakbekwame rietdekker helemaal niet zo blij zijn met een ontwikkeling waarbij een thermisch isolerend dakelement met een warmteweerstand van 2,6 tot 3,6 m2 K/W onder het rietpakket wordt aangebracht.
In september 1997 verscheen onder verantwoordelijkheid van de Vakfederatie van Rietdekkers een brochure met de titel 'Hygro-thermische aspecten van het rieten dak'. De aanleiding tot het verschijnen van deze brochure was de ervaring van de branche dat in een toenemend aantal gevallen na vrij korte tijd onderin het rietpakket vochtaantasting werd vastgesteld in rieten daken op een onderconstructie met een thermisch isolerend dakelement.
De vochtaantasting bleek een nieuw fenomeen te zijn dat niet in overeenstemming is met de jarenlange ervaringen inzake duurzaamheid van goede rieten daken.
Met een dikte van 25-30 cm heeft het rietpakket zelf gemiddeld een redelijk grote warmteweerstand (ca 2,5 m2 K/W). Wanneer daar onder nog eens een constructielaag met eenzelfde of grotere warmteweerstand (2,6 tot 3,6 m2 K/W) wordt aangebracht, is dat uit het oogpunt van energiebesparing zonder twijfel een goede zaak, stelt de Fouw. Maar of het toepassen van deze combinatie hygro-thermisch verstandig is, verdient volgens hem wel enige discussie.

Stromingsdichte uitvoering

Waarschijnlijk is rekenkundig wel aan te tonen dat dankzij de geringe diffusieweerstand van het rietdek, het met de hoeveelheid inwendige condensatie in het rietdek wel mee zal vallen. Een goede stromingsdichte uitvoering van de naden tussen en langs de elementen is daarbij een voorwaarde. De rietdekker heeft op dit aspect echter geen directe invloed. Hij mag op dat punt om de nodige zorg vragen in de hoop dat ook de bouwkundig aannemer zich realiseert dat een niet-stromingsdicht onderdak voor de duurzaamheid van het rietdek (met name in deze samengestelde constructie) funest kan zijn.
Een andere reden waarom de toepassing van een thermisch isolerend dakelement onder een rieten dak nog wel enige discussie verdient is het gegeven dat in bouwfysische (computer)berekeningen geen rekening wordt gehouden met enkele voor het rieten dak karakteristieke eigenschappen. Namelijk het rietdek:

  • is een pakket organisch materiaal met een capillaire structuur;
  • heeft onder de bindingen een vastere pakking dan in de deklaag;
  • dat onderin het pakket vochtig is, droogt langzaam dankzij de redelijk isolerende eigenschappen;
  • droogt langzamer in niet aan zon/ wind blootgestelde (mos-begroeide / vervuilde) dakvlakken;
  • droogt langzamer in niet regelmatig beregende mos-begroeide /vervuilde dakvlakken.

Deze aspecten zijn met name van belang bij een direct op het dakbeschot geschroefd/gebonden rietbedekking (schroefdak). Het schroefdak is een ten behoeve van het enkelvoudige rieten dak ontwikkelde methode van rietdekken waarbij een dakbeschot van brandwerend plaatmateriaal wordt toegepast. Hiermee kan door de rietdekker gelijktijdig een redelijke stromings-/tochtdichte onderconstructie worden gerealiseerd.
De door Unidek ontwikkelde nieuwe elementen bieden dankzij de 18 mm dikke OSB-plaat aan de bovenzijde, de mogelijkheid om het schroefdak toe te passen. Door het ontbreken van de luchtspouw tussen het geschroefd-gebonden rietpakket en (in dit geval) het thermisch isolerend dakelement, bestaande uit:

  • 18 mm OSB-plaat
  • 4 mm spaanplaat
  • EPS-kern van 102 tot 144 mm
  • 4 mm spaanplaat met S-folie als binnenafwerking is droging van een vochtig geworden rietdek naar binnen toe te verwaarlozen.

Open voet- nokdetail

Wanneer de onderlaag van het rietdek vochtig is kan droging wèl plaatsvinden wanneer het riet traditioneel op tengels en latten is gebonden. De oplossing voor het geschetste drogingsprobleem zou volgens De Fouw kunnen zijn om het rietdek in combinatie met een thermisch isolerend dakelement, op latten te binden en om in thermisch opzicht het rietdek uit te schakelen door de spouw onder het rietdek te ventileren met buitenlucht. Hiertoe is toepassing van een open voet- en nokdetail noodzakelijk (koud dak).
De open dakvoet en -nok zijn echter detailafwerkingen die in de rietdekkerij niet worden toegepast en naar verwachting ook niet ontwikkeld zullen worden. De belangrijkste reden is dezelfde die (mede) tot de ontwikkeling van het schroefdak heeft geleid, namelijk beperking van het brandrisico.
Bij het ontstaan van brand zal de aanwezigheid van een spouw onder de rietbedekking het risico van een brandvoortplanting langs de onderzijde van het rietdek vergroten. En daar kan de brandweer niet bij. Wanneer nu om bouwfysische redenen deze spouw via een open voet- nokafwerking zou worden geventileerd zal volgens De Fouw een beginnende brand, ten gevolge van het in de spouw optredende schoorsteeneffect zich onder het rietdek zeer snel uitbreiden, zo snel dat de brandweer bij aankomst haar werkzaamheden waarschijnlijk zal kunnen beperken tot nablussen.



Deze website wordt mede mogelijk gemaakt door:

Leveranciernaam