Roofs 2001-10-20 Verouderingsverschijnselen bitumineuze shingles en onthechting van shingles

       
Ing. Roel ter Stege beschrijft in onderstaand artikel enkele specifieke verouderingsverschijnselen van bitumineuze shingles. Daarnaast beschrijft hij oorzaken van scheurvorming zoals die op geshingelde daken voorkomen en uiteraard hoe deze scheurvorming voorkomen kan worden.
Op veelal oudere met gemineraliseerde bitumineuze shingles afgewerkte hellende daken ontstaan na een aantal jaren enkele kenmerkende schadebeelden en verouderingsverschijnselen. Onder meer kunnen worden genoemd:
-omhoog krullen van de uiteinden van de bitumineuze shingles;
-een plaatselijk ontbreken van een schutlaag van leislag;
-een craquelé welke zich veelal door de deklaag van de shingle heeft doorgezet tot op de inlage;
-een sterk teruggelopen elasticiteit van de shingle;
-een aanzet tot scheurvorming op ‘spanning’ locaties zoals de overgang van nok naar wolfseinden, de kilgoot-aansluitingen, bij onderliggende plaatranden en bij de overgang van de onderliggende overlap naar de bovenliggende rij shingles;
-bij de oudere shingles met wolvilt inlage veelal ook puistvorming en in extreme situatie een rotting van de inlage;
-mosgroei, veelal bij de poortjes en dan vooral op dakschilden welke niet direct door de zon worden beschenen;
-meest rechte scheuren door de shingles heen in een min of meer verticale lijn, vaak in combinatie met plooien;
-scheurvorming nabij de onderlinge overlappen van de shingles (horizontaal) in combinatie met ontbrekende shingles. Plaatselijk zijn shingles eenvoudig op te lichten.
Deze verschijnselen hebben een aantal aanwijsbare oorzaken waar nader op wordt ingegaan.

Omkrullen shingles, puistvorming en mosgroei
Afhankelijk van de kwaliteit van de bitumineuze shingles bedraagt de technische levensduur circa 20 jaar. Het einde van de technische levensduur is af te zien aan de algemene verouderingsverschijnselen. Mosgroei en puistvorming, als ook het omkrullen van de uiteinden van de shingle duiden er veelal op dat de shingle vocht vast houdt. Mosgroei is meestal het gevolg van een vochtige inlage waardoor het mogelijk is dat ook op de ‘zonkant’ gerichte dakschilden mosgroei kan optreden. Omkrullen van de shingles is het gevolg van capillaire opzuiging langs de randen van de shingle. Beschreven effecten zijn toe te schrijven aan de kwaliteit van de oudere typen shingles. De huidige generatie shingles is van een onvergelijkbaar veel betere kwaliteit. Zo bestaat de mogelijkheid om behalve geblazen bitumen ook gemodificeerde bitumen (en dan met name de APP-gemodificeerde bitumen) als basis voor de shingle toe te passen. Als inlage wordt het meest glasvlies toegepast maar zelfs een inlage van polyestermat is mogelijk. Beide inlagen zijn vochtongevoelig. Ook kan tegenwoordig gekozen worden voor meer gewicht per vierkante meter waarmee niet alleen het risico op stormschade afneemt, maar ook de dimensionele stabiliteit van de shingles meer is gewaarborgd. Om vervuiling en mosgroei minder snel te doen laten optreden zijn er leveranciers die bepaalde stoffen aan het granulaat hebben toegevoegd.
 

 

Scheuren in shingles
Bij dakplaten van enige omvang zoals triplex, spaanplaat en geïsoleerde  dakplaten, is er sprake van lengte-veranderingen van de dakplaten. Lengte-veranderingen kunnen voorkomen door een wisselend vochtgehalte en door thermische werking van de dakplaten. Wanneer de dakplaten niet bij alle plaatranden dragend zijn opgelegd en wanneer geen voorzieningen zijn aangebracht om de werking op te vangen zullen de bitumineuze shingles welke over de plaatranden heen zijn aangebracht de lengte-veranderingen van de dakplaten moeten opnemen. Plooivorming (bij uitzetting) en scheurvorming (bij krimp) zijn dan een logisch gevolg. Bij toepassing van bitumineuze shingles op geïsoleerde dakplaten is er daarnaast altijd een risico op scheurvorming door thermische schok-effecten. Bij voorkeur moeten shingles direct op een spijkerbare ondergrond worden aangebracht. Betreft het een eenzijdig geïsoleerde dakplaat dan verdient het aanbeveling geen grotere isolatiedikte dan 50 mm toe te passen.

De horizontale scheuren zijn veelal een gevolg van een combinatie van twee met elkaar samenhangende factoren. Bitumineuze shingles zijn aan de onderzijde voorzien van bitumineuze kleefpunten met een laag verwekingspunt. Op de naar de zon gerichte dakschilden zal door verwarming van de zon onderlinge verkleving plaatsvinden. De zoninstraling neemt af met de hellingshoek. Bij een steilere dakhelling (vanaf circa 70° sterk aanbevolen en vanaf 45° aanbevolen) dienen daarom de kleefpunten met een kleine brander of föhn te worden geactiveerd. Dit wordt ook aanbevolen bij applicatie onder koude weersomstandigheden. Afhankelijk van de dakhelling dient een overlap te worden aangehouden, de zogenaamde overdekking. De fabrikant leverancier bepaald deze maat. Hoe flauwer de helling, hoe groter de maat (net als bij andere schubvormige waterkerende bedekkingen). Vooral bij de wat steilere dakhellingen en om economische motieven wil men nog wel eens kiezen voor een kleine overdekking en derhalve een grote zichtmaat. Met dat de bevestigingsmiddelen circa 30 mm boven de poortjes behoren te worden aangebracht, is de kans op opwaaien vrij groot. Bij onderlinge onthechting van de shingles kan daardoor horizontale scheurvorming optreden.

Herstel
Verouderde of gebrekkige shingledaken moeten worden hersteld. Het over de shingles heen aanbrengen van dakpannen is om reden van het  toelaatbaar gewicht van de kapconstructie meestal niet mogelijk. De kans op lastige aansluitingen bij dakopstanden (omdat de opstandhoogte door de pannen-toepassing fors wordt verlaagd) is groot. Niet zelden zijn afwijkende dakvormen reden geweest voor de keuze van een shinglebedekking. Als voorbeeld kan genoemd worden een dakkapel met uitvloeiende zijwangen. Deze dakvorm zal bij renovatie de mogelijkheid van een pannendekking minder eenvoudig maken en in ieder geval kostbaar.
Het kan simpel. Het aanbrengen van nieuwe shingles over de oude heen, het zogenaamde ‘re-roofing’ kan al afdoende zijn. Het zoveel mogelijk wegsteken van de shingles (bij shingles met wolvilt inlage in feite de enige mogelijkheid) kan een optie zijn bij relatief veel oneffenheden in het dakvlak. Na het aanbrengen van een noodlaag cq. onderlaag van gebitumineerde polyestermat, kunnen nieuwe shingles worden aangebracht. De uitvoering dient daarbij te gebeuren volgens de richtlijnen en voorschriften van de leverancier.

Scheurvorming
Om scheurvorming tegen te gaan moeten feitelijk de oorzaken worden weggenomen. Voor wat betreft de eerst genoemde oorzaak wil dat zeggen het wegnemen van de shingles op de ‘spanning’ locaties. Bij de plaatranden een antikleef voorziening aangebrengen in de vorm van; een siliconen tape, klei-emulsie, gemineraliseerd glasvlies (met de mineraalzijde onder) . Vervolgens nieuwe shingles aanbrengen. Kleurverschil met de oorspronkelijke naastliggende shingles is daarbij niet te voorkomen. Voor wat betreft de plooivorming is het vrijwel ondoenlijk te garanderen dat deze niet meer voorkomt. Om plooivorming zoveel mogelijk te voorkomen verdient het aanbeveling om relatief zware shingles toe te passen. Bijvoorbeeld 13,7 kg/m² of zelfs 16,5 kg/m² in plaats van 11,7 kg/ m². Bij toepassing van shingels op eenzijdig geïsoleerde dakplaten mag de isolatiedikte niet meer dan 50 mm bedragen
Voor wat betreft de tweede oorzaak (ontbreken van shingles en opwaaien) verdient het in algemene zin aanbeveling om relatief snel tot activeren van de kleefpunten over te gaan (met kleine brander of föhn) en de overdekking niet te krap te nemen. In algemene zin geldt: ook bij steile dakhellingen, de zichtmaat niet groter nemen dan 125 mm. Een hoger shingle-gewicht biedt in dat opzicht ook voordeel. n

Literatuur: Richtlijnen en aanbevolen constructies voor de uitvoering van bitumineuze shinglebedekkingen, uitgebracht door de VEBIDAK / SBR 249 “Bitumineuze shingles”.

 



Deze website wordt mede mogelijk gemaakt door:

Leveranciernaam