Roofs 2005-02-06 Lokale mosgroei op pannen

• Ing. A.B. Berlee, T-Joint B.V.

Wanneer daken, bedekt met pannen, nader worden bekeken, dan valt op dat mosgroei zich voordoet op plaatsen waar je het in het geheel niet verwacht, namelijk op en rond de nok en in minder gevallen bij de gevels. Pannen kunnen op zich redelijk tegen mosgroei, de waterdichtheid is gewaarborgd, maar het geeft een armoedig gezicht. Genoeg reden voor gebouwbeheerders om de pannen te vervangen. Een nadere beschouwing.

Mosgroei, zo wordt ons bijgebracht, is het gevolg van te weinig ventileren. Bij onvoldoende ventilatie ontstaat een vochtig milieu, waar mossen en algen goed op gedijen. Dat dit ook aan de uiterste zijden van het dak voorkomt, is niets nieuws - maar het strookt slechts ten dele met de gedachte van te weinig ventilatie. Rondom gevels en nokken waait het immers voortdurend. Je zou dus verwachten dat op basis hiervan mos- en algenaangroei niet zou mogen voorkomen op die plaatsen. Het tegendeel is waar: het zijn bij uitstek de plaatsen waar het voorkomt. Mossen en algen zijn er in vele soorten en de mossen en algen aan de buitenzijde van daken mogen al helemaal niet verward worden met schimmels - mossen en algen zijn planten. Ze zijn heel goed in staat de elementen van wind en koude te weerstaan; ze komen immers ook voor in onherbergzame gebieden rond de poolcirkels en in gebergten ver boven de boomgrens. Wel of niet ventileren speelt hier wel degelijk een rol, alleen geldt het voor de onderzijde van de pannenbedekking - en niet voor de bovenzijde.

Wat een rol speelt, is de aanvoer van vocht van binnenuit, en dan vooral bij woningen. Mossen en algen groeien op een vochtige ondergrond. In Nederland wordt gebouwd met spouwen, om het vocht van buiten te weren en niet te laten doorslaan door gevels en daken. Omgekeerd condenseert vocht van binnenuit, als gevolg van de hogere dampdruk in de woning en het afkoelen van vochtige lucht in het bouwdeel op het koude buitenblad. Beter is te zeggen dat het vocht condenseert op de eerste koude materiaalovergang.

Gemetselde buitenmuren zijn redelijk bestand tegen condens. Bij keramische pannen is dat minder het geval. Een vochtige onderzijde leidt bij vorst tot afschilferen van de pan. Om die reden moeten pannendaken goed geventileerd worden, om het vocht zoveel mogelijk af te voeren en de pannen droog te houden. Keramische- en betonpannen met een hoge vochtbelasting vormen een goede ondergrond voor mossen en algen en die zetten zich aan de buitenzijde op de pannen. Aangetekend moet worden dat betonpannen nauwelijks tot niet schilferen bij vorst. Wel zijn de ruwe betonpannen gevoeliger voor mos- en algenaangroei.

Bij het isoleren van een woning moet met het vocht- en warmtetransport rekening worden gehouden en ontwerpers dienen zich in die zin te vergewissen van een goed bouwfysisch ontwerp. Niets nieuws onder de zon. Bij ontmoetingen van bouwdelen moet hier extra kritisch op worden gelet. Volgens de wet van de minste weerstand zal de meeste vochtige lucht daar doorstromen waar het de minste weerstand ondervindt. Voor warmte gaat hetzelfde op, daar waar de minste isolatie is aangebracht zal verhoudingsgewijs de meeste warmte verloren gaan. Bijkomend gevolg is een plaatselijke afkoeling met een afwijkende vochtbelasting. Beruchte ontmoetingen zijn de nok van het dak en de aansluitingen van gevels op hellende daken. Wanneer die ontmoetingen niet goed worden ontworpen, ontstaat een plaatselijk verhoogde vochtbelasting.

De nok van het dak is, als gevolg van het opstijgen van warme lucht, een kwetsbare plek. In de nok komen de dakschilden samen. De aansluiting moet warmte- en dampdichter zijn dan de dakschilden. Beide aspecten worden niet altijd goed uitgevoerd. Isolatie moet worden aangebracht na het plaatsen van de dakschilden. Vooral bij zogenaamde klapkappen ontbreekt het nogal eens aan stroken isolatie of isolatieschuim. De dampdichte(re) aansluiting wordt daarbij vrijwel nooit aangebracht. Vochtige lucht kan ter plaatse van de nok vrij gemakkelijk doorstromen en condenseert op de eerste koude materiaalovergang en dat is de onderzijde van de nokvorst. Bedacht moet worden dat warme lucht opstijgt, waardoor als vanzelf onder de nok de dampdruk het grootst is.

Wanneer het vocht zich vrijelijk kan verspreiden, dan zal ook condensatie optreden aan de onderzijde van de bovenste rijen pannen. Wanneer de nok goed wordt geventileerd, zal het effect aanzienlijk minder zijn. Voordat het vocht kan condenseren, wordt het afgevoerd, maar vooral wordt condens alvorens het in de vorst trekt weg-geventileerd. Goede nokventilatie wordt verkregen door toepassing van ondervorsten. Bij gesmeerde nokvorsten is de nok letterlijk dichtgesmeerd en is de ventilatie onvoldoende. Behalve aan de onderzijde van de nokvorsten treedt daarbij ook condensatie op aan de binnenzijde van de gebruikte specie of mortel. Dit laatste verschijnsel kan bij vrijwel iedere gesmeerde nok worden waargenomen in de zin van mosgroei op de specie. Bij vorst komt de specie na verloop van tijd bovendien los van de vorsten om uiteindelijk in brokken naar beneden te vallen. Met het verwarmen en isoleren van de woningen is de vochtbelasting op de pannen toegenomen, helemaal waar de zolder ‘leefbaar’ is gemaakt en in de ruimte wordt gestookt. Vochtiger pannen, en daarmee mosgroei, komt dan ook meer voor dan vroeger, toen de zolders gelijk stonden aan grote tochtgaten.

Dat het ook optreedt bij de gevelpannen heeft te maken met zowel de aansluiting van het dakschild op de gevel als met de gevel zelf. Wat voor de nok opgaat, gaat ook op voor de aansluiting dakschild / gevel, deze moet net zo warmte- en dampdicht zijn als de gevel c.q het dakschild. Dat is meer het geval dan bij nokken. In de gevel is ook sprake van ventilatie, al dan niet door aangebrachte ventilatieopeningen in de vorm van open stootvoegen of anderzijds. De luchtstroom is vanzelfsprekend verticaal, van beneden naar boven, waardoor de vochtconcentratie bij de ontmoeting gevel/dak het grootst is. Dit verschijnsel is overigens niet voorbehouden aan hellende daken, bij platte daken komt het eveneens voor. Mosgroei doet zich daarbij voor onder de dakrand op de gevel.

Een verkeerde detaillering leidt tot een plaatselijk verhoogde vochtbelasting van de pannen met mos- en algaangroei tot gevolg. Een rotgezicht en voor menig gebouwbeheerder aanleiding de pannen te vervangen. Dat ligt niet aan de pannen alleen, de onderliggende details zouden kritisch moeten worden bekeken op warmte en vooral luchtdoorstroming. Helaas zijn de gevelpannen en nokvorsten niet in dezelfde verwering als de overige pannen op het dak aan te schaffen.

De volleerde dakdekker zal bovenstaande bekend moeten zijn. Het is daarom uiterst vreemd dat de dakdekkers in Nederland met bovenstaande kennis zo massaal zijn overgegaan op het aanbrengen van onderdakfolies. In een vervolgartikel ga ik daar dieper op in.

 

 

 Wilt u deze tekst in opgemaakte vorm lezen met foto's, klik dan deze link aan, dan ontvangt u de tekst in een PDF bestand.



Deze website wordt mede mogelijk gemaakt door:

Leveranciernaam