Roofs 2006-10-03 NENNEN

Ik had me voorgenomen een stukje te schrijven over de verkiezingen maar omdat ik niet weet voor welke partij en op wie te stemmen is het nu ‘time for something completely different’1: de NEN 6050. Komt ie er nou of komt ie er nou niet, en in welke vorm, en met welke status?

Om mijn bevindingen te plaatsen, maak ik u eerst duidelijk wat ik weet van het afsprakenstelsel zoals dat volgens mij in de Nederlandse bouw geldt. Ik ken het Bouwbesluit, dat is opgesteld naar het prestatiebeginsel. Dat betekent dat niet omschreven wordt hoe gebouwd moet worden, maar dat wel omschreven wordt aan welke eisen het gebouwde moet voldoen. Normen en de daarvan afgeleide certificaten dienen om aan te tonen dat aan de eisen wordt voldaan. Een norm en het daarvan afgeleide certificaat zijn dus geen wet maar wel een wettelijk bewijsmiddel. Het Bouwbesluit laat daarmee ruimte aan nieuwe ontwikkelingen, dus zonder dat normen een belemmering vormen. Die nieuwe ontwikkelingen waar geen norm voor is, moeten dan wel telkenmale worden voorgelegd aan de daar voor geëigende autoriteiten. Wat dat laatste betreft is het voor mij net als met de verkiezingen: ik ben de weg enigszins kwijt en volgens mij ben ik daar niet de enige in. Zelfs Donner zag in dat het zinloos is om te discussiëren met een jurist die achteraf-wijsheden rapporteert over ‘geëigende autoriteiten’ en trad af met de opmerking dat op deze wijze niemand verantwoording kan dragen.

Tot zover wat ik er van weet en dan nu mijn bevindingen. Een aantal dakbranden vormde de aanleiding om nog eens stevig na te denken over brandveilig werken. Er waren SBR-uitgaven die het probleemveld duidelijk in kaart hadden gebracht, er waren aanbevelingen gedaan in de literatuur en er waren zelfs aanbevolen details. Hoewel op papier alles klopte, vonden er in de praktijk nog steeds dakbranden plaats. De eerste reactie uit de dakenbranche was dat de praktijk niet klopte, waar het natuurlijk had moeten zijn dat de praktijk niet strookt met de theorie. De tweede reactie was dat de regels niet klopten, waar het altijd leuk is om vast te stellen dat alle regels in nauw overleg met alle betrokkenen tot stand komen. De derde reactie was dat het technisch niet anders kon, omdat de leveranciers geen brandvrije oplossingen boden, waar het natuurlijk had moeten zijn dat opdrachtgevers niet willen betalen voor verantwoord werken en de risico’s bij de uitvoerende partijen leggen. In reactie op de laatste uiting echter namen de leveranciers de handschoen op en zijn ze een samenwerking aangegaan - werkelijk… het poldermodel and beyond2. Zij beijverden zich voor een Norm in plaats van voorschriften en voor brandvrij werken waar de risico’s zich voordoen. Kijk, dat was nog ‘s vastigheid doar ku’k zowat ja blind op gaon, mar dat blek nie zo te wezen3.

Nu blijkt dat de dakenbranche helemaal niet bestaat, diverse mensen hebben blijkbaar voor hun beurt in plaats van voor hun achterban gesproken. Wie zitten er in de overlegorganen namens wie? Deze onduidelijkheid vormde de aanleiding voor het normalisatie-instituut om af te zien van een norm want van eensgezindheid was geen enkele sprake. Van geblakerde pieten naar zwarte pieten, want hoe nu verder was de vraag - en het antwoord … we hebben een voornorm. De status is mij totaal onbekend, evenals de vraag op wiens voorspraak en met welk voornemen aan welke autoriteit een voorlopige voornorm voorgelegd moet worden. En net als het poldermodel is dit zo oer-Nederlands en zo logisch dat het een wonder mag heten dat er mensen zijn die überhaupt inburgeren. Of het nu gaat over brandveilig werken, over veilig werken, over wateraccumulatie, kortom over het naleven van regels en het toezicht erop, steeds weer dezelfde ellende. Weet u wat het echte probleem is: we hebben zo’n moeite met regels in Nederland omdat we niet kunnen kiezen.

 

Ton Berlee



Deze website wordt mede mogelijk gemaakt door:

Leveranciernaam