Roofs 2007-06-10 Actis: “Hotbox niet geschikt voor testen isolerende folies”

De meerlaagse isolatiefolies zoals de Franse fabrikant Actis die op de markt brengt, hebben de laatste tijd onder vuur gelegen. Diverse deskundigen beweren dat de materialen niet de geclaimde isolatiewaarden halen. De fabrikant verzet zich tegen deze conclusie. Bij monde van Hans Rutte, directeur van importeur Hapeja Trading uit Haarlem, reageert de fabrikant in dit artikel op de aantijgingen.

Actis is producent van dunne reflecterende meerlaagse isolatiefolies, zoals de Tri-iso super 9. Deze producten isoleren volgens de fabrikant op basis van reflectie. Deze methode van isoleren lijkt natuurlijk gunstig omdat de folie dun is en gemakkelijk te verwerken. Men claimt met het materiaal een R-waarde van 5,6 m² K/W te kunnen bereiken. In de media verschenen eerder dit jaar enkele artikelen waarin sterke twijfels werden geuit of het materiaal wel voldoet aan deze isolatiewaarde. Ook werden vraagtekens geplaatst bij het effect van het materiaal op de vochthuishouding van de constructie (zie ook het artikel: ‘Aluminiumfolie óp het dak…. Niet doen!! in Roofs 4-2007).

De kritiek richt zich met name op de testresultaten waar de fabrikant de isolatiewaarden op baseert. Die hebben namelijk niet op de gangbare manier plaatsgevonden, maar zijn uitgevoerd in een door Actis zelf ontwikkelde testopstelling. Gangbaar is namelijk de zogeheten ‘hotbox’ methode. Dit is een goed geïsoleerde doos waar het te testen isolatiemateriaal aan één zijde wordt ingeklemd. De andere zijden zijn volledig geïsoleerd en verwarmd, zodat de warmte de testopstelling alleen via het te testen isolatiemateriaal kan verlaten. Uit de gemeten warmteverliezen wordt uiteindelijk de R-waarde bepaald. Verschillende (internationale en nationale) onderzoeksinstanties hebben de producten van Actis volgens deze methode getest en een isolatiewaarde gemeten van hooguit R=1,7 m² K/W – dit is minder dan het Bouwbesluit toestaat. Actis reageerde eind april met een open brief. In dit artikel worden de tegenargumenten aan de hand van deze brief en een toelichtend gesprek met Hans Rutte uiteen gezet.

“Conventionele berekeningsmethode verouderd”
De ‘hotbox’ methode is, aldus de fabrikant, ontwikkeld voor traditionele, dikke en homogene isolatiematerialen. De laboratoriumtoestellen meten in stationair regime (d.w.z. constant)  de thermische geleiding van deze producten – de capaciteit dus van het materiaal om thermisch verlies tegen te gaan door geleiding. Dunne meerlaagse reflecterende isolatiematerialen gaan warmte-uitwisseling vooral tegen door straling. Het meten van de mate van geleiding van de warmte bij deze materialen is daarom zo goed als irrelevant.

De methode houdt uitsluitend met behulp van berekeningen rekening met straling, en volgens Actis is deze rekenmethode zuiver theoretisch, en daarbij onvolledig en onnauwkeurig, omdat deze enkel rekening houdt met externe luchtspouwen. Het reflecterende effect van de materialen blijft volgens de fabrikant niet beperkt tot de buitenste films. In de folie zijn extra luchtlagen verwerkt, die het isolerende effect vergroten: de berekening in de hotbox methode sluit de binnenruimtes uit die worden gevormd door de assemblage op ‘sandwich’ wijze van reflecterende films die worden geplaatst tussen scheidingswanden die semi-transparant zijn voor infrarode straling.

De huidige laboratoriummiddelen houden volgens de fabrikant dus geen rekening met de specifieke werking van de reflecterende isolatiematerialen. Daarom richt het bedrijf zich op zogeheten ‘in situ’ testen, d.w.z., op het testen van de materialen onder reële omstandigheden. Op deze manier kan men volgens de fabrikant de wijze waarop de verschillende manieren van energieoverdracht in een materiaal plaatsvindt het beste bepalen. Deze ‘in situ’ tests vinden plaats in de in de discussie al vaker gememoreerde testopstellingen in Frankrijk en Engeland: daadwerkelijke gebouwen waarbij het energiegebruik wordt gemeten die nodig is om een constante binnentemperatuur te behouden (dus: zowel verwarming als air conditioning). Deze metingen vinden plaats over een periode van 12 tot 14 weken.

Het gaat hier om drie volwaardige gebouwen, waarvan één ongeïsoleerd, de ander geïsoleerd met minerale wol en het derde met een reflecterende isolatiefolie van Actis. De tests werden in Frankrijk uitgevoerd door SFIRMM, in Engeland door BM Trada en in Duitsland door het Fraunhofer Institut für Bauphysik. Deze tests in reële omstandigheden tonen aan dat het energieverbruik in het gebouw met de reflecterende folie het meest energiezuinig scoort. De Tri-Iso Super 9 scoort in deze test drie tot vijf keer beter dan in de ‘hot box’ test, wat volgens de fabrikant de stelling rechtvaardigt dat het dunne product een gelijkwaardige isolatiewaarde heeft als 200 mm traditioneel isolatiemateriaal.

Actis benadrukt dat de keuringsinstituten onafhankelijk zijn. Het bedrijf bezit het certificaat ISO 9001:2000. BM Trada is aangesloten bij de EOTA (European Organisation for Technical Approval), de organisatie die o.a. de procedure voor innoverende producten voor de aanvraag van een Europese Technische Goedkeuring (ETG) behandelt. Door groen licht te geven voor de aanvraag van Actis voor een ETG heeft de Europese Commissie, aldus de fabrikant, het innoverende karakter van dunne meerlagige reflecterende isolatiematerialen erkend, en dus ook het feit dat ze niet passen in het kader van de bestaande testnormen. De nieuw opgerichte vakvereniging van producenten van deze materialen EMM (European Multifoil Manufacturers) streeft ernaar de relevantie van de ‘in situ’ methode algemeen geaccepteerd te krijgen.

“Het is eigenlijk te gek voor woorden dat anno 2007 nog steeds zo blind wordt gevaren op de ‘hot box’ testmethode, een testmethode uit 1960,” aldus Rutte. “Als je telefoneert met een telefoon uit 1960, dan word je raar aangekeken. Men moet met zijn tijd meegaan, inmiddels is er veel meer bekend over de wijze van isoleren dan destijds. In het dagelijks leven is het vanzelfsprekend dat men kan isoleren op basis van reflectie en lucht: denk maar bijvoorbeeld aan de reflecterende schermen op de voorruiten van auto’s in de zomer en de luchtlaag in dubbel glas. Waarom zou men een gebouw dan niet op deze basis kunnen isoleren? Een laboratoriumopstelling test bovendien altijd onder geconditioneerde omstandigheden en de uitkomsten blijven in hoge mate theoretisch: het materiaal wordt echter niet in een laboratorium gebruikt, maar in de praktijk. Onze testmethode is ondubbelzinnig en onafhankelijk: wij hebben geen enkele mogelijkheid de resultaten van het onderzoek te beïnvloeden.”

Vochthuishouding
Een ander heet hangijzer is de vochthuishouding van het materiaal. Toepassing van dampdichte materialen kan vochtproblemen in de constructie veroorzaken, met name wanneer ze aan de buitenkant van de constructie worden toegepast. Rutte onderkent dat een dampdichte laag in de constructie problemen op kan leveren, maar stelt ook dat deze problemen eerder zullen gaan spelen bij de traditionele materialen omdat daar vocht in blijft zitten.

“In onze verwerkingsvoorschriften staat omschreven dat men bij toepassing van onze producten altijd minimaal 2 cm spouw voor én achter moet aanhouden. De luchtlagen in het materiaal zorgen voor de verdere verwerking van eventueel vocht. Wij testen onze producten volgens de zogeheten ‘cold box’ methode, waarbij we een ruimte isoleren met ons product en vervolgens de binnenruimte -25°C maken en de buitenruimte +25 °C. Vergelijk het met een koud glas bier: daar komen aan de buitenkant van het glas condensdruppels te staan; normaal gesproken gebeurt dit ook bij deze testopstelling, maar bij toepassing van ons materiaal gebeurt dit niet. Dat heeft te maken met de opbouw van het materiaal, de combinatie van reflecterende folies en luchtlagen. Overigens is de spouw voor ons product Trisolane niet nodig, omdat dit product is opgebouwd uit het vochtregulerende materiaal schapenwol.”

Hoe verklaart Rutte de commotie rond het materiaal? “Ik kan het niet anders zien dan een poging van de gevestigde partijen om ons materiaal buiten de deur te houden. Men wijst liever op de sterk verouderde testmethode dan dat men de concurrentie op een eerlijke manier aangaat. In de Verenigde Staten en grote delen van Europa is men er echter allang achter dat onze materialen ruimschoots voldoen.”

 

NOOT VAN DE REDACTIE
Rob Woonink van INTRON bestrijdt de notie dat de hotbox methode een verouderde methode is. “De methode is internationaal breed geaccepteerd en voldoet prima om de prestaties voor specifieke situaties te meten. Er is echter ook behoefte aan een algemene uitspraak over de prestaties. Momenteel wordt in EOTA verband de meest geschikte evaluatiemethode voor reflectieve isolatiefolies ontwikkeld ten behoeve van CE markering. Deze is al in vergevorderd stadium. Communicatie over R-waarden zou altijd via genormaliseerde test- en evaluatiemethoden moeten plaatsvinden.”

In de volgende editie plaatst Roofs ter afsluiting van de artikelenreeks over deze discussie de reactie van MWA (Mineral Wool Association en NII (Nederlandse Isolatie Industrie).

Wilt u deze tekst in opgemaakte vorm lezen met foto's, klik dan deze link aan, dan ontvangt u de tekst in een PDF bestand

 



Deze website wordt mede mogelijk gemaakt door:

Leveranciernaam