Roofs 2008-04-08 Toepassing en uitvoering van kouddakbeplating

Onder kouddakbeplating wordt verstaan de metalen buitenhuid van een dak. Hoe past men deze dakbeplating het beste toe, en hoe worden ze zodanig geplaatst, dat de kans op lekkage of condensvorming wordt uitgesloten?

Otto Kettlitz, Kettlitz Gevel- en Dakadvies BV

 Kouddakplaten zijn dakplaten die aan de buitenzijde niet worden afgedekt door een ander materiaal, maar worden blootgesteld aan de buitencondities. Ze worden enkel toegepast op hellende daken met een minimale dakhelling van 5°. Bij felsdaken zijn kleinere dakhellingen toegestaan. Indien de spouw niet wordt geventileerd, is de term ‘kouddakbeplating’ trouwens in feite onjuist: volgens de bouwfysische definitie is er dan immers sprake van een ‘warmdak’.

Toepassing
Kouddakbeplating wordt in twee typen dakconstructie toegepast (van onder naar boven):
(isolatie +) kouddakbeplating
Warmdakbeplating + isolatie + kouddakbeplating (het zogenaamde ‘dubbeldak’)

Bij de meer eenvoudige hallenbouw wordt dikwijls een dakopbouw toegepast zonder metalen ondergrond. De kouddakplaten dragen hierbij dus zelf de belastingen over aan de constructie. Mogelijk houdt dit in dat zij ook over- en onderdruk moeten opnemen zodat ze dan zwaarder worden belast dan in een dubbeldak.

Bij het achterwege laten van isolatie zal (incidenteel) druppelend vocht als gevolg van condensatie niet te vermijden zijn. Een vochtabsorberende laag kan dit oplossen, onder de voorwaarde dat er slechts sprake is van vochtpieken naast droge perioden, zodat de genoemde laag de kans krijgt op te drogen. Past men wel isolatie toe, dan is er de keuze tussen plaatvormige isolatie of een isolatiedeken. Ook bij een constructie met plaatvormige isolatie treden regelmatig condens­problemen op, meestal vanwege niet goed sluitende naden tussen de isolatieplaten. Een dergelijke constructie wordt daarom afgeraden indien de onderliggende ruimte verwarmd wordt tot boven 12°. Ook de combinatie met opslag van vochtige materialen of goederen wordt niet aangeraden.

In combinatie met een isolatiedeken (‘spandeken’) aan de binnenzijde, voorzien van een dampremmende folie, biedt de genoemde dakconstructie wel een geëigende oplossing voor meer eisende binnencondities. Echter, zodra deze bij bevestigingsoppervlakken worden samengedrukt, loopt de isolatieprestatie van het dak in zijn geheel sterk terug.

De meest voorkomende dakconstructie waarbij kouddakplaten worden toegepast is een constructie waarbij deze platen worden afgesteund op een metalen dragende ondergrond. Tussen beide beplatingen zijn tussenprofielen (omega-, Z- of sigmaprofielen) en een spouw aanwezig die gedeeltelijk of geheel worden opgevuld met isolatie. Op basis van bouwfysische gronden is het meestal noodzakelijk aan de warme zijde van de isolatie een dampremmende laag toe te voegen. En als extra zekerheid kan men aan de koude zijde hiervan een waterkerende, dampdoorlatende folie aanbrengen.  Het tussenprofiel dient haaks of diagonaal (45°) te worden geplaatst t.o.v. beide beplatingen. Dit type dakconstructie leent zich voor zeer uiteenlopende toepassingen, dakvormen en situaties. Alleen bij extreme binnencondities kan een dak van sandwichpanelen de voorkeur hebben.

Keuze type kouddakplaat
Kouddakplaten zijn meestal trapeziumvormige platen die negatief zijn gemonteerd. Dit betekent dat de brede flenzen (dalen) zich aan de onderzijde bevinden. De reden hiervan is dat deze dakplaten het regenwater moeten afvoeren en dus over een maximale afvoercapaciteit dienen te beschikken. Aan één zijde zijn trapeziumvormige kouddakplaten meestal voorzien van een extra waterkering (dalletje).

Ook andere profieltypen zoals golfplaten of felsprofielen worden als kouddakplaat toegepast. Felsplaten hebben ook een grote afvoercapaciteit maar die van ronde golfprofielen is beperkt: de dalen zijn immers niet breder dan de toppen. Genoemde plaattypen worden op vlakke, hellende daken gebruikt maar ook vaak getoogd toegepast. Het fabrieksmatig vóórtogen verdient hierbij de voorkeur t.o.v. het door de bevestiging ‘rondtrekken’ van de beplating. In het laatste geval is er niet zelden sprake van ongewenste ‘bijvervormingen’ en van het plaatselijk wijken van langsoverlappen.

 

Montage
Bij voorkeur wordt de dakhelling van een kouddak niet te klein gehouden en worden geen kopse (eind)overlappen toegepast (plaatlengtes tot ±12 m en langer zijn leverbaar). Hierdoor wordt het risico op lekkages aanzienlijk beperkt. Geadviseerd wordt de kouddakplaten tegen de meest voorkomende windrichting in te monteren. Dit is een eis bij:

  • Montage in windgebied I conform NEN 6702;
  • Gebouwen hoger dan 15 m;
  • Toepassing van lichtdoorlatende elementen in het dak.

Voor de uitvoering van de overlappen gelden de volgende richtlijnen (er zijn verschillende situaties denkbaar dat er zwaardere voorwaarden moeten worden gesteld):

 

Dakhelling

Wijze van uitvoeren eindoverlap (200 mm)*

Wijze van uitvoeren langsoverlap*/**

< 5°

niet toepasbaar
(uitgezonderd felsprofielen)

niet toepasbaar (uitgezonderd felsprofielen)

5-8°

zonder eindoverlap (in één lengte van nok naar goot)

dubbel +
afdichtingsband

8-15°

met dubbele
afdichtingsband***

dubbel +
afdichtingsband

> 15°

met dubbele
afdichtingsband***

met afdichtingsband

 

*      binnenland tot 15 m bouwhoogte, onder normale omstandigheden
**     platen met een profielhoogte < 25 mm dienen altijd met een dubbele langsoverlap te worden uitgevoerd
***    banden aan de onder- en bovenuiteinden van de eindoverlap plaatsen

 

Kouddakbeplating is ongeschikt voor drukkend water en daarom voor toepassing op platte daken. Lichtdoorlatende elementen kunnen worden toegepast vanaf dakhellingen > 8°. Dergelijke elementen worden bij voorkeur in één lengte van nok naar goot aangebracht of, indien deze afstand hiervoor te groot is, in één doorlopende baan.

 

Bevestiging
De bevestiging van kouddakplaten aan de onderconstructie kan in theorie zowel in ieder dal als op iedere top plaatsvinden. Bij toepassing van typen met een zeer kleine golfafstand (< 150 mm) kan eventueel, afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden, in/op ieder tweede dal/top worden bevestigd. Bevestiging in het dal geeft vanzelfsprekend extra risico’s op lekkage. Bevestiging op de top, altijd inclusief kalotten (omdat anders het risico bestaat van deukvorming dat kan leiden tot plaatselijk staand water t.p.v. de bevestiging, en esthetisch minder fraai is), heeft de voorkeur bij:

  • Bevestiging op houten gordingen, ter voorkoming van direct contact tussen het boorgat en het mogelijk gedurende langere tijd vochtige hout;
  • Bij bevestiging van kouddakplaten met een profielhoogte < 25 mm, ter voorkoming van het afsluiten van het smalle dal en het risico dat de afdichtingsring van de schroef in direct contact komt met het lijf van de plaat en dus niet ver genoeg kan worden ingedraaid.
  • Andere situaties, afhankelijk van temperatuursvervorming van de platen, kosten van de verbinding, risico’s van beschadiging, vervuiling en/of aantasting van toegepaste materialen (geldt met name bij geringe dakhelling).

Het exacte aantal primaire bevestigingen dient overigens altijd aan de hand van berekeningen te worden bepaald. Bevestiging in het dal dient meestal met minimaal één bevestiger per dal te gebeuren.

Hiervoor zijn twee mogelijkheden:
De schroef in het dal naast de bovenzijde van de langsoverlap (links in de bovenstaande tekeningen) wordt altijd aan de zijkant (op ± ¼ van de dalbreedte vanaf het lijf) geplaatst om deze overlap beter aan te trekken. De plaatsing van de andere twee schroeven kan dus op twee manieren plaatsvinden. Plaatsing aan de zijkant heeft als voordeel dat de platen minder vervormen (afhankelijk van o.a. de plaatdikte). Bij plaatsing in het midden van het dal kan het water gemakkelijker langs de schroef afstromen, dus geeft dit minder risico op lekkages.  Met name ter plaatse van de plaatuiteinden kan het noodzakelijk zijn om twee bevestigers per dal te plaatsen. Dit is o.a. afhankelijk van de dalbreedte, de plaats op het dak, etc.

 

Bevestiging kopse (eind)overlap
Indien meerdere ‘koud’dakplaten achter/boven elkaar (richting goot naar nok) worden gemonteerd, dient men ter plaatse van de kopse (eind)overlap de kouddakplaten primair aan de onderconstructie (omegaprofielen) te bevestigen, en tevens secundair aan de eronder geplaatste kouddakplaten. Deze kopse eindoverlap is minimaal 200 mm breed, en ter plaatse wordt een dubbele rij afdichtingsband geplaatst (aan de onder- en bovenzijde van deze overlap).

De plaats van de primaire bevestiging wordt bepaald door de onderliggende constructie; die van de secundaire bevestiging door de wens deze zo dicht mogelijk bij het onderuiteinde (maar niet vóór de afdichtingsband) te plaatsen. Deze afstand van het plaateinde gerekend is minimaal 20 mm en maximaal 40 mm.
De exacte h.o.h.-maat van de langsoverlapbevestigers onderling is afhankelijk van de dakhelling en het materiaal van de toegepaste kouddakplaten. Stalen kouddakplaten toegepast bij een dakhelling  8° worden maximaal h.o.h. 500 mm bevestigd, bij een dakhelling ≥ 8° maximaal 1000 mm. Aluminium ‘koud’dakplaten worden altijd maximaal h.o.h. 500 mm bevestigd.

 

Bevestigers (primair en secundair)
De toe te passen bevestigers ø 6,5 mm dienen te zijn voorzien van een EPDM afdichtingsring minimaal ø19 mm. Enkel voor de secundaire bevestigers ter plaatse van de langsoverlap kunnen schroeven ø 4,8 mm voorzien van een EPDM afdichtingsring minimaal ø 16 mm worden toegepast, of bijvoorbeeld ook gasdichte blindklinknagels minimaal ø 4,8 mm.

Bij toepassing van lichtdoorlatende (kunststof) kouddakplaten worden de langsnaden, aan die zijde waar de lichtdoorlatende plaat zich onder de staalplaat bevindt met zogenaamde spreidnagels (speciaal type bindklinknagel) of met speciaal hiervoor geschikte schroeven (schroeven met een kunststof huls die uitzet als deze worden aangedraaid) bevestigd. Beide bevestigingsmiddelen zorgen ervoor dat de onderliggende kunststof plaat correct wordt aangetrokken.

 

Literatuur
Kwaliteitsrichtlijn metalen gevels en daken – technische richtlijn, Metaalunie, Nieuwegein, 2003.
Dictaat Cursus Metalen Gevels en Daken – Praktijk, Kettlitz Adviezen, Rotterdam, herziene druk, 2003 en 2006.
Dictaat Voormanscursus Metalen Gevels en Daken, Kettlitz Adviezen, Rotterdam, 2003.

Wilt u deze tekst in opgemaakte vorm lezen met foto's, klik dan deze link aan, dan ontvangt u de tekst in een PDF bestand



Deze website wordt mede mogelijk gemaakt door:

Leveranciernaam