Roofs 2008-09-18 Geen omslag maar een trendbreuk

Na alle ontwikkelingen die in gang zijn gezet als gevolg van de beruchte Zembla-uitzending op 9 november 2001 – die het startsein betekende voor wat later bekend is geworden als de Bouwfraude – heeft NMa een onderzoek uitgevoerd naar hoe de bouwwereld er op dit moment voorstaat. In dit artikel een weergave van het rapport dat begin september naar aanleiding van dit onderzoek verscheen.

Sinds de bekendmaking dat Nederlandse bouwbedrijven onderling verboden prijsafspraken maakten, is er veel gebeurd. Er volgde o.a. een Tijdelijke Commissie, een Parlementaire Enquêtecommissie een Regieraad Bouw en een tweede Regieraad Bouw – allemaal met als doel de bouw te vernieuwen en een cultuuromslag teweeg te brengen. Anno 2008 is het de vraag hoe de bouwsector er nu voor staat. Wat is er volgens bouwbedrijven, opdrachtgevers en andere betrokkenen in al die jaren wel en niet veranderd? TNS NIPO heeft, in opdracht van NMa, aannemers, opdrachtgevers (projectontwikkelaars, woningbouwverenigingen, overheden) en aanpalende branches (adviesbureaus, architecten, bouwmaterialenhandel) geënquêteerd. Daarbij stond de vraag centraal of de cultuur van concurrentiebeperkende gedragingen werkelijk is beëindigd. Heeft er daadwerkelijk een cultuuromslag plaatsgevonden die de sector kenmerkt als innovatief, transparant en concurrerend op prijs en kwaliteit?

Deze vraag leidde tot enkele deelvragen, zoals: vindt er momenteel meer marktwerking plaats? De gedachte achter deze vraag is dat er vóór de affaire veelal alleen op prijs werd geconcurreerd, terwijl de nieuwe regels ertoe moeten leiden dat er meer op prijs én kwaliteit wordt geconcurreerd. En: hebben de genomen maatregelen geleid tot meer innovatie? Dit als gevolg van het meer op prijs en kwaliteit concurreren. En tenslotte: is er sprake van een toegenomen transparantie?

In totaal zijn 506 organisaties ondervraagd. Het onderzoek heeft in de laatste maanden van 2007 plaatsgevonden, de respons bedroeg 15% (hetgeen niet lager is dan voor een willekeurig ander bedrijvenonderzoek). Gekozen is voor een opinieonderzoek: de mening van de bij de bouwsector betrokken bedrijven staat centraal. De onderzoekers hebben in de vraagstelling zoveel mogelijk geprobeerd te voorkomen dat men ‘sociaal wenselijke’ antwoorden zou gaan geven, door bijvoorbeeld te verzekeren dat de bedrijfsnamen niet aan NMa zou worden doorgegeven, en te vragen naar meningen over andere bedrijven dan het eigen.

 

Verandering cultuur
De bouwwereld is redelijk unaniem in de opvatting dat de Bouwfraude terecht is aangepakt (82% van de aannnemers, 93% van de opdrachtgevers). Aan de andere kant heerst het vermoeden dat de overheid is doorgeslagen in het opleggen van regels (88% van de aannemers klaagt hierover). De meningen zijn verdeeld over de vraag of er veel is veranderd in de bouwsector sinds 2001. Van een cultuuromslag (een woord dat uitdrukt dat er iets grondig gewijzigd is) lijkt geen sprake; eerder kan gesproken worden over een trendbreuk. Als grootste verandering wordt ervaren dat het zaken doen met de overheid minder persoonlijk is geworden. Dit was juist de bedoeling van de aanscherping van de aanbestedingsprocedure, maar een zekere hoeveelheid contact wordt juist gezien als goed voor het slagen van een project.

De belangrijkste cultuurverandering binnen de bouwwereld is het gevolg van de jongere generatie die thuis is in de nieuwste software en automatisering: veelal groei dit de oudere generatie boven de pet, waardoor men eerder vertrekt. Ook is de administratie ingewikkelder geworden. De houding van de bouwwereld is dus ambigu: men vindt het goed dat er is opgetreden, maar ergert zich aan het toegenomen aantal regels. Bovendien zijn bouwbedrijven structureel niet veel veranderd ten opzichte van de situatie vóór de Bouwfraude.

 

Andere manier van werken
Men kijkt binnen de bouw met een zekere tegenzin terug op de prijsafspraken, dit wordt ook bevestigd door de antwoorden van de respondenten. 40% van de aannemers en 56% van de opdrachtgevers geeft aan niet graag over prijsafspraken te spreken, 20% van de ondervraagden geeft aan dat de vraag niet relevant gevonden wordt. Van de aannemers geeft 23% aan andere bedrijven te kennen die minder eerlijk te werk gaan dan zij zelf, en 28% van hen is het eens met de stelling dat het zonder prijsafspraken moeilijk is om winstgevend te zijn. Een kleine minderheid geeft aan nog wel eens benaderd te worden om prijsafspraken te maken (4% van de aannemers en 7% van de opdrachtgevers). De onderzoekers trekken uit bovenstaande resultaten de conclusie dat het niet vanzelfsprekend is dat prijsafspraken volledig tot het verleden behoren. Zij citeren een respondent: “Wat in honderd jaar is ontstaan, ben je niet zomaar kwijt.” Het lijkt er overigens op dat de GWW-aannemers de maatregelen tegen het maken van prijsafspraken voortvarender hebben opgepikt dan hun collega’s in de woning- en utiliteitsbouw -  deze groep aannemers is dan ook sterk afhankelijk van de overheid.

 

Is concurrentie toegenomen?
Lang niet alle aannemers en opdrachtgevers, zo blijkt uit het onderzoek, is het eens met de stelling dat vóór 2001 alleen op prijs werd geconcurreerd. Weinig aannemers vinden voorts dat de kwaliteit van de producten is verbeterd als gevolg van de toegenomen concurrentie. Zowel aannemers als opdrachtgevers zijn in grote mate voorstander van een kartelverbod. Hieruit blijkt dat de bouwwereld op zichzelf weinig tegen een toenemende concurrentie heeft. Voor een meerderheid van de respondenten is de hoogte van de boetes bij overtreding voldoende afschrikwekkend. Bij een meerderheid van de aannemers is het kartelverbod inhoudelijk bekend.

Het draagvlak voor de aanbestedingsregels is aanzienlijk minder. Zoals bekend leidt een aanbestedingsprocedure in de acquisitiefase tot een minimum aan contact tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Alle ondervraagde partijen zijn het er in belangrijke mate over eens dat een goede persoonlijke relatie bijdraagt aan een goed eindproduct. Verder leidt een aanbestedingsprocedure vaak tot grote hoeveelheden werk waarbij de partijen er in belangrijke mate van overtuigd zijn dat de overheid geen idee heeft hoeveel werk het gevraagde kost. Dat kan contraproductief werken, aangezien de opdrachtnemer zodanig door het ermee gepaard gaande werk wordt afgeschrikt dat hij minder snel zal inschrijven. En omdat het om een openbare inschrijving gaat, wordt dikwijls de kans dat men het project krijgt te gering geacht om een dergelijke investering te rechtvaardigen. Aan de andere kant signaleren de onderzoekers dat de meeste bouwers zich weinig instellen op de veranderde praktijk: er worden betrekkelijk weinig nieuwe taken gedefinieerd, noch worden er veel medewerkers met de vereiste competenties aangetrokken (bij grotere aannemers wat meer dan bij kleinere).

Tweederde van de respondenten gaf aan het (deels) eens te zijn met de stelling dat de overheid mede schuldig is aan het maken van onderlinge prijsafspraken. De volgende elementen spelen hierin een rol:
De overheid geeft geen blijk van kennis over de inspanning die men eist;
De vele regels waaraan de inschrijver moet voldoen;
Het feit dat er geen rekenvergoeding wordt gegeven;
Gebrek aan kennis bij de aanbesteder, gebrekkige bestekken.

Is er meer transparantie?
Een andere doelstelling na de bouwaffaire was een transparante markt: meer duidelijkheid in de offertes en in de manier waarop beslissingen worden genomen. Het aanbesteden met duidelijke eisen en uniformiteit in aanbiedingen en duidelijke regels hoe er wordt besloten is daarbij een belangrijk instrument. Uit het onderzoek komt naar voren dat transparantie vooral als eenrichtingsverkeer wordt uitgelegd: inzichtelijkheid naar de opdrachtgever toe. Andersom, een opdrachtgever die selectiecriteria blootgeeft, wordt zelden gezien als voorbeeld van transparantie naar bouwbedrijven toe.

Lang niet iedereen is goed bekend met de regels. Grotere aannemers kennen de regels beter dan kleinere, waarbij opvalt dat men negatiever oordeelt over de aanbestedingsregels zodra men er meer over weet. Slechts een minderheid ziet op diverse aspecten een grote verbetering; opdrachtgevers zijn positiever ten aanzien van het waarnemen van een toegenomen transparantie dan opdrachtnemers. Een minderheid van de bouwbedrijven geeft desgevraagd aan dat ze tegenwoordig eerlijker en opener werken dan voor de bouwaffaire. Grotere bedrijven geven dit vaker aan dan kleine.

 

Conclusie
De antwoorden suggereren dat er sinds de bouwaffaire veel veranderd is in de sector. Het gaat echter te ver om van een omslag te spreken: de onderzoekers spreken liever van een trendbreuk. De toegenomen concurrentie wordt niet als een probleem ervaren. Een toegenomen transparantie, of een toegenomen innovatieve kracht wordt maar in beperkte mate opgemerkt.

Voor het idee van aanbesteden bestaat ook draagvlak, al is men wel van mening dat de overheid in haar regelgeving is doorgeschoten. Ook wordt betreurd dat de relatie opdrachtgever-opdrachtnemer onpersoonlijker is geworden.

Wilt u deze tekst in opgemaakte vorm lezen met foto's, klik dan deze link aan, dan ontvangt u de tekst in een PDF bestand



Deze website wordt mede mogelijk gemaakt door:

Leveranciernaam

Inschrijven nieuwsbrief