Roofs 2008-10-03 Tussen droom en daad

 

Op de heetste dag van het jaar heb ik tijdens de afgelopen zomervakantie verkoeling gezocht in het PMMK, het Museum voor Moderne Kunst in Oostende. Daar was op dat moment een tentoonstelling gaande van het werk van de Belgische schilder en beeldhouwer Georges Vantongerloo (1886-1965). Hij was een tijdgenoot van Piet Mondriaan en hun werk is ook wel verwant.

Ik vind abstracte kunst fascinerend. Sinds de uitvinding van de fotografie veranderde de beeldende kunst van een grotendeels getrouwe weergave van de werkelijkheid naar een subjectieve, en later abstracte weergave van de werkelijkheid. Dat begon eind 19de eeuw bij de Impressionisten, en resulteerde nog geen halve eeuw later in de radicale kunst van Mondriaan c.s., waarin geprobeerd werd enkel nog de essentie van een waarneming weer te geven – waarvan men zich af kan vragen wat dat nog met de werkelijkheid te maken heeft.

De ontwikkeling van Vantongerloo is in dit opzicht interessant. Net als Mondriaan begon hij met de afbeelding van waarheidsgetrouwe figuren. Maar met behulp van allerlei wiskundige formules en berekeningen problematiseerde hij de figuren, en maakte hij gedetailleerde plannen van bijvoorbeeld de hoek waarin de arm van een figuur zich diende te bevinden. Dit voerde hij steeds verder door, totdat zijn kunstwerken enkel nog bestonden uit rechte en gebogen lijnen, die allemaal volgens ingewikkelde berekeningen tot stand waren gekomen.

Ik vond de ontwerpen en tekeningen die Vantongerloo in dit stadium van zijn kunstenaarschap maakte ineens verdacht veel lijken op bouwtekeningen. Hijzelf vond dat kennelijk ook, want op dat moment is hij begonnen met het ontwerpen van ambitieuze bouwwerken, waarvan van sommige in Oostende zowel de tekeningen als de maquettes te bezichtigen waren. Zo ontwikkelde Vantongerloo zich van een kunstenaar die afbeeldingen maakte van de werkelijkheid, via de abstracte kunst naar een architect, een kunstenaar dus die de werkelijkheid zelf actief vormgeeft.

Hoewel dit laatste slechts gedeeltelijk waar is. Bij mijn weten is namelijk geen van zijn gebouwontwerpen in werkelijkheid gebouwd, omdat ze technisch of kostentechnisch onmogelijk waren te realiseren. En zo gaat het wel vaker: al kun je nog zo goed beargumenteren waarom iets op een bepaalde manier moet zijn, in werkelijkheid loopt het altijd net iets anders dan je had bedacht. Schrijver Willem Elsschot, land- en tijdgenoot van Vantongerloo, zei het al: “Tussen droom en daad staan wetten in de weg, en praktische bezwaren.” Bijna dagelijks ondervind ik de waarheid van die regels, en ik vermoed dat het met u niet veel anders gesteld zal zijn.

Maar wat nu, als de droom zelf wet wordt? Dat, met andere woorden, de wetgever prachtig bedenkt hoe iets in de dagelijkse praktijk zou moeten werken en daar de regelgeving naar modelleert – maar dat er in de praktijk niet mee te werken is. Dan is niet de dagelijkse praktijk het probleem, maar de wetgeving die er juist voor was bedoeld het probleem in de dagelijkse praktijk op te lossen. Om Elsschot te parafraseren: tussen wet en daad staan praktische bezwaren in de weg.

Voor sommigen is dat het geval met de veiligheidsregels. Als elke gefrustreerde dakdekker die ik in de loop der tijd over de problemen met veiligheid heb gesproken mij een euro had gegeven, zou ik deze column hebben kunnen schrijven vanaf een zonnig eiland. Probleem is niet eens zozeer de regelgeving, als wel de handhaving ervan. Juist de veiligheidsregels zijn bedoeld om de werkelijkheid, de dagelijkse praktijk, te modelleren naar een ideale situatie (de droom). De wetgever als opvoeder, dus. Ik mocht vorige maand aanwezig zijn bij een congres waar de Arbeidsinspectie in gesprek ging met praktijkmensen, om te horen op welke praktische bezwaren zij stuitten. Het viel me op, dat sommige inspecteurs hun opvoedkundige taak zeer serieus namen, terwijl hun kennis van de praktijk ten opzichte van die van de praktijkmensen duidelijk minder was. Dit onderstreepte dat het een goede zaak is dat beide kanten nu met elkaar in gesprek zijn gegaan, al vraag je je af waarom dit nu pas gebeurt.

Hetzelfde lijkt aan de hand met de aanstaande norm NEN 6050. Al sinds het eerste concept van de aanstaande norm werd gepubliceerd blijft de droom (“we kunnen brandveilig werken, technisch zijn we er klaar voor”) stuiten op praktische bezwaren (“de norm lost de werkelijke problemen niet op want, bijvoorbeeld, een föhn kan ook brand veroorzaken”). Uit een in deze Roofs gepubliceerd marktonderzoek blijkt dat de markt over dit onderwerp verdeeld is. Voor mij, als neutrale buitenstaander, is het onbegrijpelijk dat ik nu al twee jaar dezelfde argumenten over en weer hoor gaan zonder dat dit tot merkbare resultaten heeft geleid. Waarom komt men via overleg niet tot elkaar, ervan uitgaande dat iedereen wil dat brandveiligheid op het dak goed wordt geregeld?

Soms zou je willen dat een regel iets is dat je in een atelier kan ontwikkelen, in je eentje in de praktijk kan brengen om het resultaat vervolgens tentoon te stellen in een museum. Maar zo simpel is het helaas niet.

Edwin Fagel

 



Deze website wordt mede mogelijk gemaakt door:

Leveranciernaam