Roofs 2010-11-10 Aanpassingen geactualiseerde Vakrichtlijn op een rijtje

In juli 2010 is de geactualiseerde Vakrichtlijn Gesloten Dakbedekkingsystemen verschenen. Wat is er nu precies veranderd? Dick Wapstra van VEBIDAK zet de zaken op een rijtje.

Dick Wapstra,
Senior bouwtechnisch adviseur VEBIDAK

De directe aanleiding voor de gewijzigde versie is de ontwikkeling van het brandveilig werken op daken, aangestuurd door de NEN 6050. Vuurloos aangebrachte eerste stroken zijn in vrijwel alle dakdetails de standaard geworden. Ook de toenemende belangstelling voor gebruiksdaken, zoals tuindaken, parkeerdaken en terrasdaken, heeft geleid tot een aanpassing van de Vakrichtlijn. Er wordt meer onderscheid gemaakt in de afwerking: zware of lichte afwerkingen.

Daarnaast is ter bevordering van het veiligheidsbewustzijn bij opdrachtgevers het belang van permanent aanwezige valbeveiliging ten bate van het veilig betreden, lopen en werken op daken, in deze Vakrichtlijn genoemd. Permanent aanwezige voorzieningen hebben namelijk te allen tijde een voorkeur boven tijdelijk aanwezige valbeveiliging.

Onderstaand vindt u een overzicht van de verschillen met de voorgaande Vakrichtlijn en enkele bijbehorende toelichtingen.

Deel A

  1. 6.1 In de voorlaatste alinea van dit onderdeel is nu de NEN 6050 i.p.v. de NVN 6050 genoemd en wordt er ook verwezen naar de SBR-publicatie Brandveilig ontwerpen en uitvoeren van platte daken, als ontwerp- en uitvoeringsrichtlijn.
  2. 6.4.1 03 Er wordt een uitzondering gemaakt voor het aanbrengen van kimfixatie: Bij volledig gekleefde systemen op steenachtige onderconstructies is een kimfixatie bij de dakranden niet vereist. Dat houdt dus in: Slechts bij het rechtstreeks aanbrengen van een volledig gekleefde dakbedekking op een steenachtige ondergrond kan de kimfixatie achterwege blijven.
  3. 6.4.1 04 De rekenwaarde van de bevestigers bij kimfixatie in mechanisch bevestigde dakbedekkingssystemen bedraagt minimaal 400 N.
  4. 6.4.1 05 Ook voor vegetatiedaken is nu een alinea opgenomen m.b.t. de windbelasting van deze dakafwerkingen. Toelichting: De meeste vegetatieafwerkingen voldoen niet aan de NEN 6707 voor wat betreft het mogelijk afwaaien van deze vegetatieafwerking. In ieder geval moeten op de hoeken en bij de dakranden vegetatievrije zones worden aangehouden en moeten deze worden geballast met grind of vormvaste ballast. Daarnaast moet het dakbedekkingssysteem voldoen aan de eisen zoals gesteld in de NEN 6707 en NPR 6708, of het vegetatiedak moet voldoen aan het gewicht zoals uit de berekening conform NEN 6707 en NPR 6708 blijkt.
  5. 6.6.1 03 Ook bij XS-isolatieplaten altijd een dampremmende laag of sluitlaag ontwerpen. (XS-isolatie is geëxpandeerd silicaat c.q. glasparels (Xire)).
  6. 6.6.2 06 Onder a. van Werkwijze is nu ook het item luchtstromingsdicht opgenomen bij het aanbrengen van de randstrook.
  7. 6.7.3 02 Opgenomen is dat de voorkeur uitgaat naar isolatiematerialen zonder sponningen.
  8. 6.7.4 02 Expliciet wordt genoemd dat naast de passtukken ook de isolatieplaat moet worden voorzien van een werkparker.
  9. 6.7.4 04 Nu wordt verwezen naar hoofdstuk 7.1.4 betreffende het brandveilig werken bij dakdoorbrekingen.
  10. 6.7.5 Bij de bevestigingsmethoden van isolatieplaten is ook het Partieel kleven met koude kleefstof opgenomen.
  11. In hoofdstuk 7 zijn de Brandveiligheidsaspecten beschreven naar aanleiding van de NEN 6050. Een belangrijk item is de situatie bij dakdoorbrekingen op bestaande daken. Uitgangspunt hierbij is dat voorkomen moet worden dat er tijdens de werkzaamheden vlammen of vonken in of onder de dakbedekkingsconstructie kunnen komen. Hieraan kan worden voldaan door de isolatie af te schermen met een gesloten bitumen onderlaag en een plakplaat voor de af- of doorvoeren, die in bitumenpasta wordt geweld. Wanneer de isolatie bij de dakdoorbrekingen niet kan worden gevrijwaard van vlammen of vonken, dan dient  over een oppervlakte van circa 1 m2 isolatiemateriaal worden toegepast dat voldoet aan klasse A2 van NEN-EN 13501-1. Dit zijn o.a. de bekende MWR, CG en EPB. Bij nieuwbouw dient altijd isolatiemateriaal dat voldoet aan klasse A2 van de genoemde norm te worden toegepast. Wanneer plaatselijk echter meer dan 40 % vermindering aan warmteweerstand op zou treden (bestaande daken en nieuwe daken), is ook een isolatiemateriaal van een lagere brandklasse toegestaan. Bijvoorbeeld bij een dak met 100 mm PIR en 90 mm MWR bij de hemelwaterafvoer, treedt een vermindering van de warmteweerstand op van ca. 45 %. Hier is dus een isolatiemateriaal van een lagere brandklasse toegestaan, bijvoorbeeld PIR, onder voorwaarde dat is aangetoond dat het isolatiemateriaal in de toepassing bestand is tegen de verwerking van de toplaag met open vuur.
  12. 7.1.5 Goten en dakkapellen. De definitie van de goot is nu aangegeven. Het betreft alleen goten onder waterkerende dakafwerkingen, zoals dakpannen etc. Bij goten onder gesloten (waterdichte) dakafwerkingen mag wel met open vuur worden gewerkt.
  13. Nieuw is hoofdstuk 8, hierin is Valgevaar beschreven.

Deel B

  1. 3 In het overzicht van de dakbedekkingsconstructies zijn XS ongecacheerd en bestaande PVC (beiden met een voetnoot) als ondergrond opgenomen.
  2. Voetnoot 7) is nu anders geformuleerd; Dakdozen kunnen wel, mits ze worden voorzien van een warmdakopbouw.
  3. Voetnoot 10) is nieuw.
  4. 4.4 Bij de dakbedekkingssystemen van bitumen latexemulsie is onder 4.4.2 een Eenlaags systeem opgenomen.
  5. 4.5 Gebruiksdaken. Onder 4.5.1 wordt een onderscheid gemaakt tussen daken met een zware of met een lichte afwerking, welke in 4.5.2 en 4.5.3 worden beschreven. Voor de wortelvaste kwaliteit wordt nu verwezen naar de NEN-EN 13948.

Deel C

  1. 3.3.3 04 Blokverband meerlaagse systemen. Naast het toepassen van een blokverband kan dit zelfde verband worden toegepast met een zogenaamde gootbaan wanneer wordt gestart met de gootbaan waar vervolgens de dakbanen met 150 mm overlapping op aansluiten. Blokverband in een éénlaags systeem met toepassing van een gootbaan is niet genoemd. Dit is slechts mogelijk als aangetoond kan worden dat er geen afschuiving/krimp plaats vindt bij een dergelijke constructie.
  2. 4.2.1 Bouwkundige eisen. a) De hoogte van overige opstanden welke 40 mm hoger moesten zijn, is vervangen door: De hoogte van alle overige opstanden zodanig ontwerpen dat er geen lekkage door waterloop in het gebouw kan ontstaan.
  3. 4.2.1 Bouwkundige eisen a) Nieuw is opgenomen dat de dakopstandhoogte van gebruiksdaken minimaal 120 mm moet bedragen, gerekend vanaf de laatste afwerklaag (dakbestrating of vegetatielaag).
  4. 4.2.2 Randstroken en plakstukken. De teksten zijn aangepast op de zelfklevende stroken en de bijbehorende synthetische primer. Onder e) wordt gewaarschuwd voor een compatibele aansluiting op bijvoorbeeld een geverfde ondergrond.
  5. 4.3 Aanbrengprincipes. De omschrijvingen zijn aangepast aan de NEN 6050. Met name noemen we het winddicht afsluiten met een eerste randstrook. Wanneer een mechanisch bevestigde randstrook als eerste strook wordt toegepast, zijn aanvullende handelingen nodig. Bijvoorbeeld een tweezijdig klevende bitumentape aanbrengen.
  6. 4.3.4 Met zelfklevende APAO-, EPDM-, POCB- of TPEB-dakbanen kan worden volstaan met één randstrook.
  7. 4.4.4 Hier is een speciaal detail beschreven voor het toepassen van een APAO-vormbaanstrook. Deze strook is dusdanig stijf dat deze zondermeer achter het lood kan worden opgezet om als opstandstrook te functioneren.
  8. 4.9.2 Dakranden. Bij detail Code DR 10 M is onder f) de dikte van het zink (0,8 mm) alsmede de maximale lengte van de zinken deklijst zonder expansiestuk (12 m) aangegeven. Het zink moet voldoen aan NEN-EN 988.
  9. 4.9.2 Dakranden. Code DR 16 M is (weer) opgenomen in het overzicht.
  10. 4.9.3 Opstanden. Code OS 03 M is nieuw. Dit is een universeel detail t.b.v. toepassing bij ventilatoren etc.

Deel D

  1. Bij 3 en 4 de overzichten van dakbedekkingsconstructies met PVC of EPDM is voetnoot 1) anders geformuleerd. Dakdozen kunnen wel, mits ze worden voorzien van een warmdakopbouw.
  2. Bij 3 en 4 in de overzichten van de dakbedekkingsconstructies met PVC of EPDM is

bestaande PVC als ondergrond opgenomen.
-    Bij 3 overzicht met PVC dakbedekkingsconstructies, is bij de ondergrond van PVC aangegeven dat op de bestaande PVC, geen nieuwe PVC mag worden toegepast.

  1. Bij 4, overzicht met EPDM dakbedekkingsconstructies, is bij de ondergrond van PVC een voetnoot 6) opgenomen. Dit houdt in het kort in: bij voorkeur de oude PVC verwijderen.
  2. Onder Algemeen van 4 is opgenomen dat bij alle  EPDM-dakbedekkingssystemen kim- en randfixatie moet worden toegepast.
  3. 5.4 Gebruiksdaken. Onder 5.4.1 wordt een onderscheid gemaakt tussen daken met een zware of met een lichte afwerking, welke in 5.4.2 en 5.4.3 worden beschreven. Voor de wortelvaste kwaliteit wordt nu verwezen naar de NEN-EN 13948.

Deel E

  1. 4.2.1 Bouwkundige eisen. a) De hoogte van overige opstanden welke 40 mm hoger moesten zijn, is vervangen door: De hoogte van alle overige opstanden zodanig ontwerpen dat er geen lekkage door waterloop in het gebouw kan ontstaan.
  2. 4.2.1 Bouwkundige eisen a) Nieuw is opgenomen dat de dakopstandhoogte van gebruiksdaken minimaal 120 mm moet bedragen, gerekend vanaf de laatste afwerklaag (dakbestrating of vegetatielaag).
  3. Bij dakranddetails met PVC met een opstand hoger dan 300 mm een extra bevestiging toepassen (dit was bij 400 mm).

Wij denken dat het praktisch is om dit artikel bij uw Vakrichtlijn te bewaren.

Wilt u deze tekst in opgemaakte vorm lezen met foto's, klik dan deze link aan, dan ontvangt u de tekst in een PDF bestand



Deze website wordt mede mogelijk gemaakt door:

Leveranciernaam