(uitgave 00/5 pag 6)
Het
imago van het platte is er de laatste jaren sterk op vooruit gegaan. Zoals u in
onze vorige uitgave reeds kon lezen werd de duurzaamheid van de hedendaagse afdichtingsmaterialen
nogmaals bevestigd door proeven in reële omstandigheden. Verder beschikken
we over isolatiematerialen met uitstekende eigenschappen en de nodige kennis en
ervaring om al deze producten samen te voegen tot een betrouwbare dakconstructie.
We leven tenslotte in het jaar 2000 en ook in onze sector is de technologie zo
sterk geëvolueerd dat het platdak niet langer een probleemdak hoeft te zijn.
Maar nu we zover zijn gekomen blijken er uit een andere hoek weer problemen op
te duiken.
In de Technische Voorlichting nr. 183 "Het platte dak" staat duidelijk vermeld dat niet alleen de aannemer van dichtingswerken maar ook de andere aannemers tijdens het uitvoeren van bouwwerken op het dak de nodige voorzieningen moeten treffen om beschadigingen van isolatieplaten en afdichting te voorkomen en dat direct transport en opslag van materialen op de isolatieplaten of het afgewerkte dak uit den boze is. De theorie verschilt echter lichtelijk van de praktijk..
De alsmaar toenemende concurrentiestrijd en de steeds korter wordende uitvoeringstermijnen maken brandhout van goedbedoelde zaken als planning en werfcoördinatie. Wanneer de aannemer van dichtingswerken zijn afgewerkt dak de rug toekeert wordt het dakvlak vaak herschapen tot een ware opslagplaats voor isolatieplaten, houten paletten, scherpe metalen profielen, stellingonderdelen en zelfs complete pakken loodzware betonblokken. Om gebruik te kunnen maken van de kraan die slechts tijdelijk op de werf aanwezig is wordt de isolatie soms te vroeg aangebracht zodat het materiaal compleet kapot wordt gelopen of gereden nog voor het zijn uiteindelijke taak kan vervullen. Vaak is het dak reeds afgewerkt wanneer de aanpalende metalen gevelbekleding nog moet worden aangebracht. Schroefjes blijven achter op de kwetsbare dakhuid en veroorzaken onvermijdelijk perforaties en lekken wanneer iemand erop trapt. Loopplanken worden slechts sporadisch gebruikt en stellingen worden zonder meer op de afdichting geplaatst. Kortom, de verhalen en fotoreportages over dergelijke wanpraktijken zijn legio en het probleem wordt alsmaar groter.
Waar gaat
dit eindigen en wie gaat er opdraaien voor de kosten? Twee vragen die niet zo
één, twee, drie te beantwoorden zijn. Ten eerste wordt het probleem
vaak met de mantel der liefde bedekt, niet uit moedwil of slecht karakter, maar
gewoon omdat de benadeelde onderaannemer ook in de toekomst nog graag voor de
"schuldige" hoofdaannemer wil werken. Toch zijn er af en toe ook moedige zielen
die de rommel op hun afgewerkt dak of de veroorzaakte beschadigingen fotograferen
en de zaak aanhangig maken of gewoon weigeren in bepaalde dubieuze situaties
te werken. De tol ze hiervoor soms moeten betalen en de verloren projecten nemen
ze er noodgedwongen bij.
Het betalen van de kosten is een ander paar mouwen. Indien men niet aan de hand van harde bewijzen kan (of wil) bewijzen dat zijn werk beschadigd werd door derden, deelt men ongetwijfeld in de klappen. De verantwoordelijkheidsdiscussies kosten tijd en geld voor zowel aannemers als fabrikanten en de schuld wordt vaak vlijtig heen en weer geschoven.
Een goede planning en werforganisatie - liefst van bij de tekentafel - en wat meer respect voor elkaars werk zou iedereen heel wat miserie kunnen besparen.
door: ing Guinée G.