(uitgave 99/5 pag 6)

Groendaken (1): indeling, opbouw en eigenschappen

Na aandacht te besteden aan de oorsprong van de groendaken worden in dit artikel de verschillende types besproken en wordt er bovendien ingegaan op de diverse voor- en nadelen t.o.v. een platdak zonder begroeiing. Zonder in detail te treden wordt er een beschrijving gegeven van de ideale samenstelling van het groendak waarna ook kort aandacht wordt besteed aan het onderzoek dat in de komende maanden wordt opgestart in het proefstation van het WTCB te Limelette.

Groendaken zijn niet nieuw. Denk bijvoorbeeld maar aan de befaamde hangende tuinen van Babylon uit de 7e eeuw voor Christus. Ze werden echter verscheidene eeuwen vergeten maar komen tijdens de Renaissanceperiode weer lichtjes onder de aandacht om tenslotte in het begin van de 20e eeuw pas echt door te breken. In die tijd deden de groendaken voornamelijk dienst als thermische isolatie tegen de koude in de noordelijke landen en tegen de hitte in de zuidelijke landen. De opkomst van dit type dak was veel sterker merkbaar in de Scandinavische landen, Duitsland en Nederland dan in België waar het groendak pas in een later stadium en in veel mindere mate is doorgedrongen. Dit neemt echter niet weg dat er momenteel in België diverse firma's actief zijn op het gebied van de realisatie van groendaken.
Dit artikel behandelt vooral de beschrijvende aspecten van groendaken alsmede hun diverse voor- en nadelen. Zonder in detail te treden wordt de ideale samenstelling van het platdak en van het groendak besproken om tenslotte in te gaan op de bedoeling van het onderzoek in het proefstation van het WTCB te Limelette.

Fig 2: Voorbeeld van een begroeid dak, lichte daktuin en daktuin:
0 Vegetatie
1 Substraat
2 Filtervlies
3 Draineerlaag
4 Beschermingslaag
5 Waterdichting
6 Isolatie
7 Dampscherm
8 Drager en afschot

Indeling volgens uiterlijk en gebruik

De groendaken kunnen niet enkel worden ingedeeld volgens hun uiterlijk (type begroeiing) maar ook volgens de manier waarop ze gebruikt zullen worden en volgens de aard en het aantal samenstellende lagen.

Daktuinen of daken met een volgroeide intensieve begroeiing

Dit type tuin is in alle opzichten vergelijkbaar met een natuurlijke tuin met uitzondering van het feit dat hij zich op het dak bevindt (of bijvoorbeeld bovenop een tunnel). Daktuinen worden gekenmerkt door:

Begroeide daken of daken met een extensieve begroeiing (dakvegetatie)

Begroeide daken zijn net het tegeovergestelde type groendak van daktuinen en worden gekarakteriseerd door:

Lichte daktuinen of daken met een weinig volgroeide intensieve begroeiing

De lichte daktuinen vormen de gulden middenweg tussen de daktuinen en de begroeide daken: Samengevat: De kenmerken van de drie types groendaken zijn samengevat in tabel 1. Figuur 2 geeft een schematische voorstelling van deze daken.

Tabel 1: Onderscheid tussen daktuin, begroeid dak en lichte daktuin
Begroeid dakLichte daktuinDaktuin
Dikte (pro memorie)< 0,1 mTussen 0,1 en 0,3 m> 0,3 m
Benaderde overbelasting door groendak 30 à 60 kg/m260 à 400 kg/m2> 400 kg/m2
Type begroeiingExtensiefIntensief en/of extensiefIntensief
Realisatie bij renovatie/nieuwbouwJa Jaom te bestuderenVaak niet te besteden
BeloopbaarNee *JaJa
Gebruikelijke helling van drager1-35 o (2- 5 %)1-35 o (2- 5 %)1-4o (2-7 %)
Onderhoud van de begroeiingBeperktGemiddeldBelangrijk
* Behalve extra voorzieningen

Indeling volgens de samenstelling

De hierboven beschreven indeling laat toe een idee te vormen van het type en de gebruiksmogelijkheden van de verschillende groendaken en geeft o.a. de architecten en de opdrachtgevers alvast een kijk op de resultaten die ze zullen bekomen.

Een andere, meer technische redeneermethode bestaat erin een indeling te maken op basis van de diverse samenstellende lagen met verschillende functies zonder daarbij rekening te houden met hun diktes. Zo onderscheidt men:

Boven: Voorbeeld van een extensieve begroeiing en intensieve begroeiing (in de bloembakken).

Onder: Voorbeelden van intensieve begroeiing

Soorten begroeiing

Extensieve begroeiing (fig. 3)

Deze categorie bestaat uit planten zoals:

Intensieve begroeiing (fig. 4)

Deze categorie bestaat uit:

Uitzicht van de begroeiing

Men mag niet vergeten dat het uitzicht van de begroeiing niet steeds hetzelfde zal zijn; ten eerste heeft de beplanting een zekere tijd nodig om het gewenste uitzicht te bekomen en dit uitzicht zal bovendien ook nog veranderen van seizoen tot seizoen.

Verbetering van het waterbeheer

1 Afvoer

Tijdens hevige stortbuien zijn de waterafvoeren in sommige streken vaak oververzadigd. Het vergroten van de oppervlakte groendaken kan hierbij een oplossing bieden.
Bij regenval wordt het hemelwater op een klassiek platdak immers onmiddellijk afgevoerd naar de dakkolken en doorgevoerd naar de afvoerbuizen, wat kan worden uitgedrukt door de volgende formule:

Integral qout dt=Integral qin dt

Hierbij is:
qin (l/s) de regenintensiteit
qout (l/s) het debiet afgevoerd water

Fig. 5 Principe van het buffereffect
Bij een groendak ontstaat er een buffereffect: wanneer de regen op het groendak valt, dringt het in het dakpakket en wordt het door de verschillende lagen opgehouden zodat het pas in een later stadium de afvoer bereikt. Bovendien wordt een gedeelte van het vocht opgenomen door de planten en komt een ander gedeelte door verdamping weer in de atmosfeer terecht (fig. 5).

Dit buffereffect laat toe het water helemaal of grotendeels te absorberen (al naargelang de regenintensiteit en de dikte van het groendak) en zodoende het regenwaterafvoersysteem te ontlasten.

Onder de vorm van een vergelijking kan dit als volgt worden uitgedrukt:

Integral qout dt=Integral qin dt-Integral q+ dt+Integral q- dt-Integral qevap dt

Hierbij is:
q+ (l/s) het debiet water dat het groendak binnendringt
q- (l/s) het debiet water dat na doordringing van het groendak de afvoer bereikt
qevap (l/s) het debiet water dat terug in de atmosfeer wordt afgegeven door evapo-transpiratie (door planten) en verdamping (door substraat).

De laatste drie termen van deze vergelijking zijn onbekend maar het staat vast dat hun balans positief is en dat het volume afgevoerd water dus kleiner is dan bij een kaal platdak.
Om deze drie termen te bepalen zou men bijvoorbeeld kunnen berekenen welke oppervlakte groendak men moet voorzien in een bepaald waterbouwkundig bekken met afvoerproblemen om eenzelfde verbetering te bekomen als door de voorziening van een stormbekken van een welbepaald volume.
Figuur 6 toont ter titel van inlichting een vergelijking tussen Franse metingen van afgevoerde debieten in functie van de tijd op een platdak zonder bescherming, een dak met grind en een begroeid dak.

Fig 6: Voorbeeld van het buffereffect: debieten afgevoerd water (l/min) in functie van de tijd door een 56 m2 groot platdak tijdens een regenbui met een terugkeerperiode van 10 jaar (bron: Réhabilitation des toitures-terasses - CATED 1998)
Indien we er van uitgaan dat de oppervlakte groendaken in België sterk toeneemt, kunnen zij in de toekomst ook een handig wapen worden tegen overstromingen zoals diegene die we onlangs in ons land hebben gekend (bijvoorbeeld in september 1998).

2 Waterkwaliteit en recuperatie

Het regenwater dat door het groendak sijpelt ondergaat een zekere filtering alvorens de afvoer te bereiken. Men verkrijgt dus een waterkwaliteit die ergens schommelt tussen die van het regenwater en die van kraantjeswater. Dit gedeeltelijk gezuiverd water noemt men 'grijs water'. De opvang van dit grijs water in een tank laat toe om, net zoals in sommige Duitse steden, een dubbel waterleidingsnet te creëren waarbij het ene net instaat voor het drinkwater en het 'grijze' net water levert voor de schoonmaak, de toiletten, de wasmachines, enz..

In deel twee van dit artikel, dat zal worden opgenomen in onze volgende uitgave, zal vooral aandacht worden besteed aan de ideale samenstelling van het groendak en ook aan het onderzoek dat in de komende maanden in het proefstation van het WTCB te Limelette wordt opgestart.

Deze tekst werd gebruikt als lezing door de heren M. Eyckens en P. Kerstenne tijdens de BEVAD-studiedagen op 1 en 3 juni jl. en werd samengesteld op vraag van het technisch comité 'Dichtingswerken' onder voorzitterschap van dhr F. Louwers door een werkgroep bestaande uit de heren P. Kerstenne (voorzitter van de werkgroep), E. Bril, M. Buvé, M. Eyckens, J. Lenaerts, M. Lievens, E. Meert, D. Nonckreman, D. Pessers, D. Raymaekers en H. Steenbrugghr.


Kies hier:
Inhoudsopgave Roof Belgium 1999
Terug naar Roof Belgium