Zoeken

Roofs 2001-05-06 Fouten bij mechanisch bevestigde dakbedekkingsystemen

          Janus Smits,
Smits dak- en isolatieadvies

Om verschillende redenen worden zeer regelmatig mechanisch bevestigde dakbedekkingssystemen toegepast. Helaas wijst de praktijk uit dat met dergelijke systemen van tijd tot tijd nog vrij elementaire fouten worden gemaakt. In veel gevallen ligt de bron van het gebrek aan kennis bij de man die dit systeem op het dak moet aanbrengen. Vandaar dat de “do’s and don’ts” van mechanisch bevestigde dakbedekkingsystemen hier nog een keer de revue passeren.

Historisch overzicht
Door gebrek aan goede normen en rekenregels werden bij mechanisch bevestigde dakbedekkingsystemen tot 1990 slechts vuistregels gehanteerd. Deze waren eenvoudig en op ieder dak van toepassing. Voor wat betreft het aantal bevestigingsmiddelen gold bijvoorbeeld de zogenaamde “4-6-8 regel”: 4 bevestigers per vierkante meter in het dakvlak, 6 in de randzone en 8 per vierkante meter in de hoekzone. De afmetingen van de dakzones waren voor ieder dak hetzelfde, ongeacht de dakgrootte: randzone 2m breed, hoekzone 2x2m².
Deze vuistregels gelden al een tijd niet meer en vooral in de scholingprogramma’s voor (leerling) dakdekkers, werkvoorbereiders en kaderpersoneel van dakbedekkingbedrijven wordt aangegeven waarom. Deze uitleg wordt aangevuld met de (basis)informatie over de huidige verwerkingsrichtlijnen bij mechanisch bevestigde dakbedekkingsystemen.

Sinds de invoering van het Bouwbesluit en de introductie van de norm NEN 6702 (Belastingen en vervormingen TGB 1990) in december 1991 moet elk dakbedekkingsysteem voldoen aan de in dat Bouwbesluit gestelde “Voorschriften uit het oogpunt van veiligheid”. In de praktijk kan men alleen aan deze voorschriften voldoen als tenminste een windbelastingberekening van het dak wordt gemaakt. Hierdoor gelden de vuistregels niet meer want de afmetingen van de dakzones zijn tegenwoordig afhankelijk van de gebouwafmetingen.
Toen in januari 1997 de Praktijkrichtlijn NPR 6708 “Bevestiging van dakbedekkingen” verscheen, volgde al snel diverse – voor een deel zelfs gratis verstrekt – gebruiksvriendelijke software met behulp waarvan per project volledige controleberekeningen op het gebied van windbelasting en windweerstand per dakvlak kunnen worden gemaakt. Tevens breidden de meeste leveranciers van dakbedekkingmaterialen hun service uit door berekeningen aan te bieden. De uitkomsten hiervan tonen per dakvlak, de afmetingen van de rand- en hoekzone en het aantal toe te passen bevestigingsmiddelen per vierkante meter. Vaak wordt daar nog het toe te passen bevestigingpatroon per dakzone aan toegevoegd. Aldus kan iedereen op vrij eenvoudige wijze per project en per dakvlak aan de benodigde informatie komen.
Echter, nergens is voorgeschreven wie deze berekening dient te maken en de praktijk wijst uit dat de architect, hoofdaannemer, constructeur en dergelijke er vanuit gaan dat deze door de dakdekker wordt geregeld. Die is immers de deskundige. Zeker vanaf begin 1997 moet ieder dakbedekkingsbedrijf in staat wordt geacht een mechanisch bevestigd dakbedekkingsysteem aan te bieden en te maken volgens de voorschriften van het Bouwbesluit.

De actuele situatie
De huidige stand van zaken laat zien dat dakbedekkingbedrijven regelmatig nalaten een berekening te (laten) maken. Er wordt dan een standaardregel gehanteerd inzake aantal bevestigers en de afmeting van dakzones. Uit figuur 1 en bijbehorende tabel blijkt dat afhankelijk van de afmetingen van gebouwen, de afmetingen van dakzones sterk variëren.
Dit illustreert de noodzaak van het maken van een berekening per project en per dakvlak!

Bevestigingpatronen
In theorie zou de voorman op het dak een werkbrief mee moeten krijgen waarop van iedere dakzone (rand- en hoekzone) de afmetingen en het aantal toe te passen bevestigingmiddelen staan. In de praktijk blijkt echter maar al te vaak dat deze informatie bij de voorman niet aanwezig is, zodat hij naar eigen inzicht afmetingen van dakzones en aantallen bevestigers bepaalt. Meestal wordt dan naar de vroeger gebruikte vuistregels verwezen, niet wetende dat die al jaren niet meer gebruikt mogen worden. Is het aantal bevestigingsmiddelen per vierkante meter uiteindelijk bekend, dan blijkt het vervolgens vaak een probleem te zijn, dit aantal te vertalen naar een toepasbaar patroon. Figuur 2 kan hierbij een hulpmiddel zijn.
Bij een 1-laags in de overlap mechanisch bevestigd dakbedekkingsysteem kunnen bij toepassing van hele baanbreedten, ongeveer 4,5 bevestigers per vierkante meter worden aangebracht. In de overlap mogen ze niet dichter bij elkaar geplaatst worden dan 250mm. In het geval dat toch meer bevestigers per vierkante meter nodig zijn, dan kan het volgende worden gedaan:

Alle maten zijn in meters
h = hoogte van het dakvlak
d1 = breedte van het dakvlak
d2 = lengte van het dakvlak
a = breedte van de randzone
a1 = lengte van de hoekzone over de korte zijde van het dakvlak
a2 = lengte van de hoekzone over de lange zijde van het dakvlak

  • in de dakzones waar meer bevestigers moeten worden aangebracht, een 2-laags systeem met een mechanisch bevestigde onderlaag aanbrengen;
  • een 1-laagssyteem toepassen, mechanisch bevestigd in de overlap met halve baanbreedte;
  • een 1-laags systeem toepassen in hele baanbreedte, mechanisch bevestigd in de overlap.
    Daarnaast in het midden van de dakbaan extra bevestigers aanbrengen, waterdicht af te werken met een strook dakbedekking van ca. 250 mm breedte.

Bij een meerlaags dakbedekkingsysteem kan het werkelijk aantal bevestigers per vierkante meter, worden gecontroleerd op de volgende manier. Zet op het dakgedeelte dat geparkerd is een vierkant van 3x3m uit en tel het binnen het vierkant aanwezige aantal parkers. Deel dit aantal door 9 en men heeft het toe te passen aantal per vierkante meter. Vergelijk dit aantal met het aantal dat op de werkbrief staat. Het verdient aanbeveling deze controle tenminste 1x op het dak uit te voeren om zeker te zijn van het aanbrengen van voldoende parkers.

Afstand van de volgplaat tot de overlap
De rand van de volgplaat moet minimaal 10mm van de rand van de dakbaan liggen. Deze verwerkingsrichtlijn die van essentieel belang is voor een bevestiging van de dakbaan met voldoende uitscheurweerstand rond het bevestigingpunt, geldt al jaren. Toch moet in toenemende mate worden vastgesteld dat degene die de dakbedekking parkert geen weet heeft van deze verwerkingsrichtlijn. Het aanbrengen van volgplaatjes in of op de overlap van de mechanisch te bevestigen onderlaag dient met kennis en aandacht te gebeuren.

Langsoverlap van onder- en toplaag laten verspringen?
Eén van de regels die Vebidak hanteert binnen haar verwerkingsrichtlijnen en adviezen, is dat in een 2-laagssysteem de langsoverlap van de toplaag, een halve baanbreedte moet verspringen ten opzichte van de langsoverlap van de onderlaag. Als de overlappen van beide lagen namelijk niet samenvallen, is de kans op lekkage bij een gebrek in de overlap van de toplaag veel kleiner dan wanneer deze overlappen samenvallen. De laatste tijd wordt deze verwerkingsrichtlijn op veel werken niet in acht genomen. (zie Foto 5).

De onderlaag als noodlaag
Veelal onder druk van de bouwkundig aannemer moet het dak zo snel mogelijk waterdicht zijn. Om aan de wens van de hoofdaannemer te voldoen, wordt de onderlaag dan gebruikt als noodlaag. Inmiddels heeft men ervaren dat zelfs bij een éénzijdig gebitumineerde onderlaag de overlappen kunnen worden dichtgebrand, iets dat ook steeds vaker wordt aangetroffen. Wat daarbij over het hoofd wordt gezien, is dat door het branden van de overlap, de polyester cachering gedeeltelijk wegsmelt en op die plaats de inlage sterk verzwakt raakt.
Van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld of in een dergelijke situatie de onderlaag nog voldoende windweerstand heeft respectievelijk aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.
Als de overlappen van een mechanisch bevestigde onderlaag moeten worden gebrand, dient gekozen te worden voor een onderlaag met extra coating. Hierbij moet toch sterk gewaarschuwd worden tegen het ver vooruitwerken van een onderlaag die niet waterdicht is. Binnendringend water of vocht kan op den duur namelijk schade aanrichten aan de dakconstructie, zoals in het geval van een constructie met een dampremmende laag en vochtgevoelige isolatie waarop slechts een éénzijdig gebitumineerde onderlaag ligt in een regenachtige periode.

Adviezen
Een te kort aan vakbekwaam personeel in de dakbedekkingbranche heeft geleid tot een splitsing van taken bij de uitvoering van dakbedekkingwerkzaamheden. Op veel werken worden onderaannemers ingezet die uitsluitend isolatiemateriaal aanbrengen en de onderlaag parkeren.
Een vakbekwame(re) dakdekker brengt vervolgens de toplaag aan. Het is zaak dat het dakbedekkingsbedrijf er op elk moment voor zorgt dat de onderaannemer voldoende geïnformeerd is en geïnstrueerd wordt over bevestigingpatronen en de afmetingen van dakzones. Daarnaast dient de voorman van het dakbedekkingbedrijf toezicht te houden op de werkzaamheden van de onderaannemer en deze te controleren. De windbelastingberekening, de afmetingen van de dakzones en het aantal bevestigers zouden onherroepelijke bestanddelen moeten zijn van een werkbrief.
Door het splitsen van werkzaamheden in aanbrengen van de toplaag en aanbrengen van isolatie + onderlaag kunnen verschillende dagproducties per taak ontstaan. Dit betekent dat met isolatie en onderlaag vaak zodanig ver vooruit wordt gewerkt dat deze niet meer op dezelfde dag kunnen worden voorzien van een toplaag. Men moet dan uiteraard rekening houden met de eventuele gevolgen die het binnendringen van vocht in de dakconstructie kan hebben.
Een ander punt wat aandacht verdient is het samenvallen van overlappen. Normaalgesproken wordt door de onderaannemer de onderlaag over het gehele dak aangebracht in hele baanbreedten. Als de toplaag daarna ook in hele baanbreedten wordt aangebracht, zullen door het verschil in werkende breedte van onder- en toplaag, op een bepaald moment de langsoverlap van beide lagen over 5-6 baanbreedten nagenoeg gaan samenvallen. In een dergelijke situatie is het dan noodzaak om bij het aanbrengen van de toplaag “passtroken” van een halve baanbreedte in die toplaag te maken. Dit heeft wel als consequentie dat in de toplaag op bepaalde afstanden halve baanbreedtes zichtbaar zijn. Is dit niet acceptabel dan zal het dakbedekkingsbedrijf hiermee rekening moeten houden en de werkzaamheden die zijn gemoeid met het aanbrengen van onder- en toplaag zodanig op elkaar moeten afstemmen dat de passtroken in de onderlaag kunnen worden gemaakt.
En dat vormt eens te meer een bewijs dat ook de onderaannemer - met betrekking tot de uitvoering van dakbedekkingswerkzaamheden -, over de elementaire kennis dient te bezitten op het gebied van het aanbrengen van isolatie (wel of niet dragend verleggen, aantal werkparkers, minimale afmetingen van passtroken, afpurren van naden etc.) en het mechanisch bevestigen (parkerpatronen, plaats drukverdeelplaat ten opzichte van de overlap, dakzones, kimfixatie etc.).
Scholing van de onderaannemer is derhalve een absolute voorwaarde om het huidige kwaliteitsniveau van de uitvoering van dakbedekkingwerkzaamheden in stand te behouden.