Zoeken

Roofs 2001-08-03 Alle Daken

    Buiten is het 31 ºC graden in de schaduw en de mussen vallen van het dak. De ARBO onverantwoorde profielloze leren zolen van mijn schoenen zakken nog net niet weg in de deklaag en vanwege de verhitting van mijn voeten moet ik lopen. Een eigen versie van “A cat on a hot tinned roof”. Ik heb niks op met katten. Wat doe ik op het heetst van de dag op een dak? Dit zogenaamde ‘technisch weertje’ is een beetje teveel van het goede. Het dak waar ik op sta, is hoog gelegen. Alleen een kantoorpand direct naast het gebouw waar ik mij op bevind, is hoger. Na een eerste inspectierondje sta ik op een paar daktegels mijn voeten te ontzien. Van waar ik sta, heb ik een mooi uitzicht op de daken van de stad. Alle daken zinderen in de zon. Wat is het toch fantastisch om op een hoog dak te staan. Het verschaft je het gevoel van … ja van wat eigenlijk? Van een bergbeklimmer? Van een vrachtwagenchauffer? Van een regisseur? Zelf sta je hoog en alle gebouwen liggen lager. Het geeft je overzicht en het gevoel dat je vanuit jouw positie meer ziet dan de mensen die lager dan jou staan. Een ‘helikopterview’ noemen ze dat in clichématige managementtermen. Niet dat je daar wat mee kunt maar het gevoel is erg lekker en het maakt dat ik graag op daken vertoef. “Een dirigent!…,” bedenk ik me, “..zo moet een dirigent zich voelen! Die speelt zelf niet mee maar bepaalt toch de muziek van het orkest, van het geheel”. De daken van de stad liggen als een partituur aan m’n voeten en ik zie de muziek voor me. De platte daken zijn de bastonen en de afstand tussen de platte daken bepalen het slagritme. In een welvend plat dak zie ik een aangetrokken, vervormde bassnaar. Het begint al te swingen. Een rij schuurtjes is als een roffel op de drums en het industrieterrein vormt een lekker zwaar aangezette onderliggende bassdrum. Een energiek uptempo deze stad, da’s duidelijk. Als sopranen steken verschillende kerktorens boven de rest van de daken uit. Ook leuk om te denken dat het natuurlijk koorknapen kunnen zijn die de kerkelijke gemeenten samenbrengen tot iets dat lijkt op harmonie. Dat lukt ze niet wanneer ze op de grond blijven staan. Als je op het dak staat, zijn ze alle eender en daar is dat gevoel weer. In de diverse kleuren en uiteenlopende soorten vormen de pannendaken de akkoorden voor piano of gitaar. Doordat het er zoveel zijn, kan het net zo goed om violen gaan.
Dat maakt het weliswaar orkestraal, maar harmonieus gecomponeerd. Iedere toon heeft zijn eigen plaats, maar allemaal tegelijk gespeeld, klinken ze vol en zuiver. De metalen daken vormen het blazersensemble. Niet al te veel in aantal, zet het wel accenten en klinkt het lekker schel en helder. Daar nog wat monumentale panden met leiendaken, onmiskenbaar de virtueuze solisten, ervaren en als geen ander in staat de rest te laten horen wat muziek vermag te zijn: inspirerend en leerzaam. Ik hef de handen om de muziek te laten beginnen en achter me hoor ik al een kuchje uit het publiek. Altijd hetzelfde, alles gestemd en klaar om te spelen, moet er iemand in de zaal kuchen. Laat ie buiten kuchen! Weer een kuchje. Met een ruk draai ik mij om in de richting van de kucher om hem met één vernietigende blik te doden... Het is de opdrachtgever. “Warm, hè?”, zeg ik in een pose die meer doet denken aan een aalscholver op een staak dan aan een dirigent.“ Ik sta nou een tijdje naar je te kijken” zegt m’n opdrachtgever, “en vraag me werkelijk af waar je mee bezig bent?” “Geloof het of niet” zeg ik tegen hem, “maar ik sta hier m’n column te componeren” Hij kijkt me onderzoekend aan en vraagt vervolgens: ”En waar gaat je column deze keer dan over?” Even zoek ik naar de juiste omschrijving die ik niet kan vinden. Over mijn ouverture durf ik me niet uit te laten. Daarom antwoord ik hem tenslotte:”Ik stond me net te bedenken hoezeer ik van daken houd, maar dan ook van alle daken”.

Ton Berlee