Zoeken

Roofs 2003-04-08 Riolering en Instorten

Will Scheffer, Uneto-VNI

We gaan er langzamerhand aan wennen. Onder invloed van de klimaatverandering nemen de regens in de winter toe en zijn vooral langduriger. In de zomer mogen de regens dan wel afnemen en korter duren, maar ze zijn wel zeer intensief. Dat is ook in de zomer van 2002 gebleken. Soms wordt in enkele uren hoeveelheden afgetapt die overeenkomen met ongeveer tien procent van het jaarlijkse gemiddelde van 800 mm. Door het gewijzigde patroon van regens komen gebreken aan de riolering en dakconstructies eerder aan het licht.

UNETO-VNI is de ondernemersorganisatie voor de installatiebranche. Will Scheffer houdt zich binnen de Groep Techniek bezig met Sanitaire Technieken. Sanitaire technieken vinden hun toepassing uit oogpunt van gezondheid. ('Sanitair' betekent 'de gezondheid' of 'de gezondheidsleer betreffende'.)

Water op straat

Een willekeurige plaats in ons land krijgt gemiddeld vijf keer per jaar een hoeveelheid neerslag van 20 mm binnen een etmaal; een etmaalsom van bijna 30 mm komt ongeveer eens in de twee jaar voor en eens per tien jaar valt er meer dan 50 mm op een dag. Dit statistiekje van de KNMI roept voor de leek twijfels op als men de neerslaghoeveelheden in de afgelopen jaren en ook in de zomer van 2002 in herinnering brengt. In het tijdvak 1961-1990 bedraagt de jaarlijkse gemiddelde neerslag afhankelijk van het gebied 750-900 mm. Maar in 1998 kwam in de Bilt het niveau in de meetbuis tot boven de 1200 mm. In 2002 bedroeg het gemiddelde 924 mm tegen normaal 793 mm.

De gemiddelde neerslag in Nederland is de afgelopen eeuw trendmatig met een kleine tien procent toegenomen. En de verwachting is dat in de toekomst de regen alleen maar toeneemt. Het lijkt er op dat de stijgende lijn in Nederland groter is dan elders. Dat laat zich mogelijk verklaren doordat op het relatief kleine oppervlak van ons land lokale factoren een grotere rol spelen, aldus deskundigen. Genoemd worden ondermeer de drooglegging van de IJsselmeerpolders en de fors toegenomen verstedelijking. 'Water op straat', het lijkt wel of het elk jaar erger wordt, stond in de kranten te lezen. Ook in de zomer van 2002 worden tal van plaatsen geteisterd door intensieve regens.

Is er een verband tussen 'water op straat' en het instorten van daken? Het antwoord is 'ja' waar het eigenlijk 'nee' zou moeten zijn. 'Ja', omdat het instorten van daken het gevolg is van 'water op dak'. Het kunnen dezelfde regens zijn die 'water op straat' en 'water op dak' tot gevolg hebben. Maar dat hoeft niet het geval te zijn, sterker nog, het zou niet het geval mogen zijn. Met 'water op dak' bedoel ik in dit verhaal een ontoelaatbare waterstand in relatie tot de sterkte van de dakconstructie.'Water op straat' betekent dat het riool op dat moment niet in staat is het aanbod te verwerken dan wel te bergen. Op dat moment zijn de grenzen bereikt van het riool voor 'eerste hulp' aan regen. 'Water op straat' wordt geaccepteerd, zei het wel dat rekening wordt gehouden met een beperking voor de kans op herhaling ervan. Maar door diezelfde regen kan geen 'water op dak' worden geaccepteerd dat instorten van het dak tot gevolg heeft. Wat zijn dan de mogelijke oorzaken van 'water op dak'? Ligt dat aan de capaciteit van het hemelwaterafvoersysteem ofwel de riolering? Of ligt dat aan mogelijke tekortkomingen in de bouwconstructieve sfeer?

Het Bouwbesluit

Het Bouwbesluit bevat voorschriften uit oogpunt van: veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. Het Bouwbesluit stelt de eis dat een te bouwen bouwwerk een zodanige voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater heeft dat een voor de gezondheid nadelige situatie wordt voorkomen (art. 3.41). In artikel 3.42 van het Bouwbesluit staat dat een dak een voorziening heeft voor de opvang en afvoer van hemelwater. En artikel 3.43 voegt daaraan toe, dat in de mogelijkheid moet zijn voorzien voor aansluiting op het openbaar riool. Vervolgens staat in artikel 3.44 dat een voorziening voor de opvang en afvoer van hemelwater een volgens NEN 3215 bepaalde capaciteit heeft die ten minste gelijk is aan de volgens NEN 3215 bepaalde belasting van die voorziening.

SBR-studie 77

NEN 3215 is een norm die stamt uit 1991 en is ontwikkeld in verband met de komst destijds van het Bouwbesluit. Tien jaar eerder verscheen SBR-publicatie 77 'Binnenriolering' die tot stand is gekomen onder voorzitterschap van prof. ir. Jan .B. M. Wiggers (overigens toen nog geen hoogleraar en inmiddels emeritus-hoogleraar van de TU-Delft). Het was zijn nadrukkelijke inbreng om voor hemelwaterafvoeren van gebouwen een ontwerp-regenintensiteit aan te houden van 60 l/(s.ha). Hij gaf daarbij de volgende uitleg:


In de figuur van Levert, die de relatie aangeeft van 'regenintensiteit en regenduur' zijn twee rechten getrokken die de punten verbinden waarvoor geldt dat de regenintensiteit 60, respectievelijk 600 l/(s.ha) bedraagt. We zien dat praktisch geen punten boven de iso-intensiteitslijn van 600 l/(s.ha) zijn gelegen. Dit is in overeenstemming met theoretische beschouwingen die aantonen dat op onze geografische breedte geen hogere regenintensiteit kan optreden. Stel nu dat we het hemelwaterafvoersysteem van een gebouw zodanig hebben ontworpen dat 60 l/(s.ha) kan worden afgevoerd. Treedt een hogere intensiteit op dan 60 l/ (s.ha) dan loopt bijvoorbeeld de dakgoot over. In het algemeen zal het aantal keren dat gemiddeld per jaar het systeem het hemelwater niet kan werken geringer zijn dan het aantal keren dat gemiddeld per jaar de regenintensiteit van 60 l/(s.ha) wordt overschreden. Dit wordt o.a. veroorzaakt door twee verschijnselen:

o niet al het water stroomt af (verdamping, bevochtiging, berging in de goot, enz.);
o de capaciteit van de leidingen is meestal als gevolg van de toepassing van handelsmiddellijn groter dan rekenkundig vereist.

Een systeem zal, gesteld dat het onderhoud regelmatig plaatsvindt, nimmer overlopen indien het wordt gedimensioneerd op 600 l/(s.ha). Dit betekent: of 10 maal meer afvoerpunten van een dak, of een ongeveer 3 maal zo grote middellijn. Hiermede gaan aanzienlijke meerkosten gepaard. De vraag die dan speelt is of deze meerkosten opwegen tegen ongemak van het overlopen.

Analyse

Uit de analyse die Wiggers maakte blijkt:
o dat het aantal keren dat een dakgoot overloopt bij een ontwerpregenintensiteit van 60 l/(s.ha) minder is dan 10 keer per jaar;
o dat verhoging van de ontwerpregenintensiteit tot 100 l/(s.ha) het aantal keren dat een dakgoot overloopt vermindert tot ca. 7 maal gemiddeld per jaar.

Wiggers zag in het aantal overlopen van minder dan 10 keer t.o.v. van 150 afvoeren per jaar geen probleem en zag vervolgens in de verhoging van de ontwerpregenintensiteit tot 100 l/(s.ha) geen wezenlijke winst.

Wel waarschuwde hij dat wanneer uitgegaan wordt van een ontwerpregenintensiteit van 60 l/(s.ha) dit betekent dat de goot, c.q. constructie van het platte dak, zodanig moet zijn dat bij hogere intensiteiten het overtollige water, zonder dat schade wordt berokkend, kan afvloeien. Eveneens moet bij het ontwerpen van een platdak rekening worden gehouden met het feit dat het dak tot aan het laagste punt van de waterdichte opstand gevuld kan zijn met water, vanwege het niet werken van het afvoersysteem. Daarom de aanbeveling spuwers aan te brengen, die lager liggen dan het genoemde laagste punt.

In SBR-publicatie 77 wordt er van uitgegaan dat zowel platte als schuine daken een afvoercoëfficiënt hebben die gelijk is aan 1. Dit wordt als volgt beargumenteerd. Voor de dimensionering van de leidingen kan worden gekozen tussen ontwerpmiddellijn variërend van 600 l/(s.ha) tot enkele l/(s.ha). Gezien de mogelijke overlast wordt 60 l/(s.ha) als een geschikte keuze gezien. Afvoercoëfficiënten van verharde oppervlakken variëren tussen 0,7 en 1. De facto betekent dit een variatie in de ontwerpregenintensiteit van minimaal 0,7 x 60 = 42 l/(s.ha) en maximaal 60 l/(s.ha). Gelet op de mogelijk optredende intensiteiten van enkele tot 600 l/(s.ha) is de verfijning als gevolg van het in rekening brengen van de afvoercoëfficiënten voor de dimensionering van leidingen in en aan gebouwen niet zinvol, zo staat in de SBR-publicatie.

Verder wordt in de SBR-publicatie bij de keuze van 60 l/(s.ha) voor binnenriolering als nevenargument genoemd dat het goed aansluit op de rekenregels die voor het openbaar riool worden gehanteerd.

NEN 3215

Nog voor dat SBR-publicatie 70 gereed kwam, was het Nederlands Normalisatie-instituut (toen NNI, nu NEN) gestart met het opstellen van een NEN 3215. In het voorwoord van SBR-publicatie spreekt de commissie de hoop uit dat haar rapport aan de totstandkoming van NEN 3215 een belangrijke bijdrage zal leveren.

Intussen hadden we nog steeds te maken met de Model Bouwverordening, die in de Nadere Regelen F een eenvoudige tabel bevatte waarin een relatie werd gelegd tussen het aantal m2 af te voeren dakoppervlak en een bepaalde middellijn van een afvoerleiding. Zover ik weet is die tabel gebaseerd op een regenintensiteit van ca. 100 l/(s.ha).

De normcommissie Binnenriolering heeft de aanbeveling uit de SBR-publicatie voor te hanteren ontwerpregenintensiteit niet overgenomen. In NEN 3215 is gezien de mogelijke gevolgen van wateroverlast een herhalingskans van voorkomen van eens per vijf jaar gehanteerd.

Hoe verloopt de afvoer van hemelwater?
Er verloopt een zekere tijd tussen het moment dat het begint te regenen en het moment dat de afvoer in het hemelwaterafvoersysteem zijn grootste waarde bereikt. Deze tijdsinterval wordt vertraging genoemd en is van een aantal factoren afhankelijk, zoals de grootte van het oppervlak, de dakhelling, de aard van de dakbedekking en de bevochtigingsverliezen. De tijd die verloopt tussen het begin van een bui en het moment van maximale afvoer in het hemelwaterafvoersysteem wordt concentratietijd genoemd. Voor de concentratietijd is een tijdsduur aangehouden van 2 tot 8 min. Bij een overschrijding van de maximale afvoercapaciteit van eens in de vijf jaar komt dit neer op maximale intensiteiten van 335 l/(s.ha) en 240 l/(s.ha). De normcommissie vond het voor ontwerpdoeleinden wenselijk om uit te gaan van één regenintensiteit. Gekozen is voor 300 l/(s.ha). Opgemerkt dient te worden dat de concentratietijden voor platte daken groter kan zijn: 10 à 15 minuten. Voor de verschillende uitvoeringen van daken (dakhelling en aard van dakbedekking) zijn vervolgens reductiefactoren geïntroduceerd variërend van 0,3 (plat dak met 25 cm dikke aardlaag) tot 1,0 (dak met een helling van > 3° < 45°).

Maatlat

Met de normstelling in NEN 3215 voor de capaciteit van het hemelwaterafvoersysteem van het gebouw, heeft de normcommissie Binnenriolering in het kader van het voorkomen van een voor de gezondheid nadelige situatie (één van de grondslagen waarop het Bouwbesluit is gebaseerd), de 'lat' duidelijk hoger gelegd dan die volgens de vroegere Model Bouwverordening en de aanbevelingen in SBR-publicatie 77.

Maar wat die drie 'latten' gemeen hebben, is dat er altijd een moment komt dat de berekende capaciteit van het hemelwaterafvoersysteem wordt overschreden. De verschillen liggen in de frequentie van de te verwachten overschrijdingen:

o Nadere Regelen F in de vroegere Model Bouwverordening (gebaseerd op 100 l/(s.ha)) met gemiddeld 7 keer per jaar;
o de SBR-studie 77 (gebaseerd op 60 l/(s.ha)) met gemiddeld 10 keer per jaar;
o het Bouwbesluit / NEN 3215 (300 l/(s.ha)) met gemiddeld eens in de vijf jaar.

In capaciteit een maximaal verschil met factor 5 en in overschrijdingkans van die capaciteit een maximaal verschil met factor 50. Maar hoe dan ook, het wordt geaccepteerd dat tijdens de levensduur van het gebouw meerdere malen het totale aanbod van hemelwater binnen een bepaald tijdsbestek niet kan worden afgevoerd via het hemelwaterafvoersysteem.

Ontlastput

De beperking van het aantal overschrijdingskansen volgens NEN 3215 moet gezien worden als een kosteneffectieve afweging ten opzichte van het risico van een voor de gezondheid nadelige situatie. Bovendien wordt dat risico nog verkleind met het voorschrift in NEN 3215 dat in de aansluiting van hemelwaterafvoerleidingen op een perceelaansluitleiding, waarin ook huishoudelijk afvalwater wordt afgevoerd, een ontlastput moet worden toegepast. Over het nakomen van dat voorschrift wordt al jarenlang gepraat.

In zeer veel gemeenten wordt daarop nauwelijks toegezien en ontbreken de ontlastputten. Als gevolg van de extreme regens van de laatste jaren heeft op tal van plaatsen deze tekortkoming tot schade geleid. Ook op plaatsen waar binnen de perceelgrens sprake is van een gescheiden systeem, maar waar de gemeente buiten de perceelgrens de systemen voor huishoudelijk afvalwater en hemelwater heeft gecombineerd vóór aansluiting op haar riool. In het televisieprogramma 'De Rijdende Rechter' heeft kantonrechter mr. Frank Visser over de verplichting tot toepassing van ontlastputten een duidelijke uitspraak gedaan op grond van NEN 3215. Met een ontlastput wordt voorkomen dat bij onvoldoende capaciteit of verstopping van de buitenriolering het overtollige hemelwater, al dan niet vermengd met huishoudelijk afvalwater, via de lozingtoestellen in de woning of in het gebouw stroomt.

NTR 3216

In de onlangs herziene versie van NTR 3216 is derhalve meer aandacht aan de ontlastput besteed en is naast een uitbreiding van uitvoeringsvormen tevens een beschrijving van een doorstroomtest opgenomen. Dit vooruitlopend op een mogelijke nationale beoordelingsrichtlijn voor ontlastputten. NTR 3216 bevat zelfs een aanbeveling tot uitbreiding van het toepassingsgebied voor ontlastputten in de buitenriolering van alle hemelwaterafvoerleidingen, dus ook die zijn aangesloten op gescheiden rioleringssystemen. Hiermee wil men voorkomen dat bij onvoldoende capaciteit of verstopping van de buitenriolering de (inpandige) hemelwaterafvoerleidingen vollopen en belast worden met een te hoge waterdruk. Dat kan resulteren in leidingbreuk en, als gevolg daarvan, in grote waterschade van het gebouw.

NTR 3216 is de Nederlandse Technische Richtlijn (te vergelijken met een NPR) voor het ontwerp en uitvoering van binnenriolering. Door het Nederlands Normalisatie-instituut wordt de toepassing van NEN 3215 samen met NTR 3216 sterk aanbevolen. NITR 3216 geeft aanvullende informatie over methoden, toe te passen materialen en/of producten. Het geeft uitleg hoe NEN 3215 het best kan worden geïnterpreteerd en bevat aanvullende prenormatieve onderwerpen.

Buitenriolering

Voor wat betreft de kansen op stagnatie van de capaciteit van de buitenriolering, of beter gezegd, het openbaar riool, valt het volgende op te merken. De huidige Model-Bouwverordening van de VNG verwijst voor de capaciteit van de buitenriolering binnen de perceelgrens naar de bepalingsmethode volgens NEN 3215. Echter, voor de gebouwen kent NEN 3215 een statische berekening (permanente stroming) met een neerslagintensiteit van in principe 300 l/(s.ha) bij een relatief kleine kans op overschrijding ervan, namelijk eens in de vijf jaar. Benedenstrooms hanteren de gemeenten voor haar riolering echter een dynamische berekening (met bergingcapaciteit ) en een veel kleinere neerslagintensiteit (bijvoorbeeld de eerder genoemde, door prof. Wiggers aangehaalde, 60 l/(s.ha)) met een veel grotere kans op overschrijding ervan. Beide systemen worden door de buitenriolering binnen de perceelgrens aan elkaar geknoopt.

Dat is een belangrijke reden waarom in de herziene versie van NTR 3216 een aanbeveling is opgenomen om te allen tijde in de aansluitingen van de hemelwaterafvoerleidingen op de buitenriolering een ontlastput op te nemen. Daarmee wordt als het ware, bij verstopping of stagnatie van de buitenriolering, het hemelwaterafvoersysteem van het gebouw van de buitenriolering ontknoopt. Inmiddels is een werkgroep gevormd, samengesteld uit leden van de NEN-normcommissies Binnenriolering en Buitenriolering, die gaat werken aan een betere afstemming en normering van de buitenriolering binnen de perceelgrenzen, ofwel de terreinriolering.

Komt dit probleem tot een oplossing, dan zijn de risico's van een voor de gezondheid nadelige situatie tot een acceptabel niveau teruggebracht. En daarmee eindigt in principe de bemoeienis van mijn vakgebied, de Sanitaire Technieken. Want de voorschriften in het Bouwbesluit voor de opvang en afvoer van hemelwater van bouwwerken zijn ondergebracht in het hoofdstuk dat is opgesteld uit oogpunt van gezondheid.

Veiligheid

Zoals eerder in mijn betoog aangegeven, kent het Bouwbesluit ook andere voorschriften waaraan moet worden voldaan, zoals veiligheid. Als gevolg van het incidenteel tekort schieten in capaciteit van het hemelwaterafvoersysteem van het gebouw, of door vervuiling of verstopping van dakafvoeren, moeten daken waarop wateraccumulatie kan plaatsvinden vanuit veiligheidsoverwegingen worden voorzien van noodafvoeren. De eisen daarvoor zijn opgenomen in, de door het Bouwbesluit aangewezen, norm voor bouwconstructies NEN 6702. In NEN 3215 staat dus niets over noodafvoeren. In NTR 3216 staat dat de zekerheid van afvoer van hemelwater op daken wordt gewaarborgd door toepassing van noodafvoeren met een verwijzing naar NEN 6702. In deze norm, met technische grondslagen voor bouwconstructies, staat dat de belasting door hemelwater in principe een plaatsgebonden belasting is, waarbij rekening moet worden gehouden met wateraccumulatie.

Van daken die instorten na een fikse regenbui blijkt in bijna alle gevallen dat de staalconstructie onder het dak te licht is uitgevoerd, stelde C. van der Meijden van Bureau Dak Advies in zijn bijdrage aan de Nationale Dakendag, gehouden in november 2002.

Met de invoering van het Bouwbesluit in 1992 is NEN 6702 van kracht geworden. Als de effecten van wateraccumulatie niet worden doorgerekend, schiet de constructieve berekening tekort. Na ruim tien jaar blijkt dat het nog vaak geen gewoonte is om de belasting door water in de berekeningen mee te nemen, aldus Van der Meijden.

Uit de losse pols

Als gevolg van het Bouwbesluit is er nu wel meer aandacht voor de aanwezigheid van noodafvoeren van daken. De uitvoering en het dimensioneren van noodafvoeren moeten in relatie staan met de stijfheid van de onderliggende constructie. Volgens Van der Meijden worden noodafvoeren geplaatst van wel 800 mm breed. Maar alleen daarmee wordt het probleem niet opgelost. Het ontwerp gaat volgens de manager techniek bij BDA nogal eens uit de losse pols. Vooral aannemers of loodgieters die het dak erbij doen, maken zich er schuldig aan. Ook wijst hij op het ontbreken van noodafvoeren bij bestaande bouw. Als het dak wordt gerenoveerd, wordt een wateraccumulatieberekening vrijwel nooit gemaakt. Dat de geprofileerde staalplaat bij wateraccumulatie in de meeste gevallen een bepaalde waterbelasting kan hebben, is geen garantie dat dit ook geldt voor de onderliggende stalen gordingen. En daar zit volgens Van der Meijden juist het probleem. Alleen constructeurs zijn in staat dat uit te rekenen. Met andere woorden: het bepalen van de noodzaak, de plaatsen en de afmetingen van noodafvoeren is een taak van de constructeur.

In NEN 6702 staat dat voor de bepaling van de belasting door hemelwater de volgende uitgangspunten moeten worden gehanteerd:
a) Afvoer hemelwater via een of meer reguliere dakafvoeren is niet mogelijk. Uitgegaan moet worden van de meest ongunstige situatie.
b) Afvoer via de dakrand of noodafvoer is wel mogelijk.

Noodafvoeren moeten volgens NEN 6702 een capaciteit hebben die is gebaseerd op een regenintensiteit waarvan de herhalingskans theoretisch eens in de vijftig jaar bedraagt. Voor een 5 minuten-regen betekent dat een neerslag van 14 mm, ofwel een regenintensiteit van 465 l/(s.ha). Rekening houdend met wrijving en contractie, is in de formule voor de capaciteitsbepaling van noodafvoeren een intensiteit aangehouden van 540 l/(s.ha).

Voorbeelden noodafvoeren

NEN 6702 geeft voor noodafvoeren voorbeelden van dakrandvoorzieningen: vrije dakrand, dakrandverlaging en de 'brievenbus' in de dakopstand of borstwering. Maar er zijn meer oplossingen te bedenken. Afhankelijk van de vorm en het oppervlak van het dak worden één of meer voorzieningen aangebracht.

In de bouwpraktijk wordt nogal eens een beroep gedaan op de loodgieter of sanitairinstallateur voor het 'op maat' leveren van noodafvoeren in de vorm van een brievenbus. Om de loodgieter/installateur behulpzaam te zijn, geeft NTR 3216 in bijlage B een vergelijking (formule) voor het berekenen van de afmetingen van de brievenbus. In een tabel zijn bovendien van deze noodafvoeren de netto afmetingen gegeven voor dakoppervlakken van 100 tot 500 m2.

In de toelichting van NEN 6702 staat de aanbeveling om de hoogte van de 'brievenbus' groter te maken dan nodig voor de capaciteit. Hierdoor kan worden voorkomen dat meedrijvende voorwerpen als takken en bladeren de noodafvoer geheel of gedeeltelijk verstoppen.

Noodafvoerleidingsysteem

Bij grote dakoppervlakken is het vaak niet mogelijk het hemelwater via het dakafschot naar de dakranden af te leiden. Het plaatsen van één of meerdere noodafvoeren op het dak, aangesloten op separate leidingen, is dan een mogelijke oplossing. Deze noodafvoeren worden uiteraard hoger geplaatst dan de hemelwaterafvoertrechters. Het leidingsysteem voor de noodafvoer is dus volledig gescheiden van het hemelwaterafvoersysteem. Bij het in werking treden van het noodafvoerleidingsysteem moet het hemelwater boven het maaiveld en goed zichtbaar buiten het gebouw lozen. Vanwege de grote capaciteit wordt in het geval van een noodafvoerleidingsysteem veelal gekozen voor het UV-principe (staat voor de Finse woorden Umpi Virtaus = gesloten stroming). Bij dit systeem wordt gebruik gemaakt van de beschikbare drukhoogte tussen de speciale afvoertrechter en het einde van het systeem waar wordt overgegaan op het zogenaamde vrij-vervalsysteem. Ook voor dit systeem moet benadrukt worden dat het vaststellen van de uitgangspunten voor het ontwerp, zoals plaats, plaatsingshoogte en aantal van de noodafvoertrechters, de toegestane waterhoogte op het dak en het dakafschot, onder de verantwoordelijkheid valt van de bouwkundige constructeur.

Inspectie en onderhoud

Het voorkomen van verstoppingen van noodafvoeren is van cruciaal belang voor de constructieve veiligheid. De noodzaak van inspectie en onderhoud aan het dak, dakafvoeren en noodafvoeren spreekt voor zich. De frequentie van een periodieke inspectie is afhankelijk van de omstandigheden terplekke en van het seizoen. Een boomrijke omgeving of een situatie waar regelmatig veel vogels vertoeven, zijn omstandigheden waarbij een hoge frequentie van inspectie en reiniging nodig kan zijn. Een gemeente kan in relatie met de keuze van een bepaald noodafvoersysteem, zover mij bekend, de gebouweigenaar zonodig een onderhoudverplichting opleggen.

Ik heb voor u getracht gegevens op een rij te zetten die betrekking hebben op het water dat uit de hemel komt vallen en op de afvoer van dat hemelwater en de normen en richtlijnen die daarvoor zijn ontwikkeld. Daarbij heb ik een strikte scheiding aangehouden in de voorschriften van het Bouwbesluit uit oogpunt van gezondheid en veiligheid.

De voorschriften uit oogpunt van gezondheid zijn vastgelegd in NEN 3215 en betreft mijn vakgebied van de sanitaire technieken. De voorschriften uit veiligheid zijn vastgelegd in NEN 6702 en betreft het vakgebied van de bouwkundige constructeur. In de praktijk blijkt echter, dat de sanitair installateur voor wat betreft de uitvoering van noodafvoervoorzieningen een helpende hand kan bieden. Daarbij dient echter een strikte scheiding gemaakt te worden in verantwoordelijkheden ten aanzien van het ontwerp en de uitvoering van die voorzieningen.

Door het gewijzigde patroon van regens komen zowel gebreken aan de riolering en dakconstructies eerder aan het licht. De praktijk heeft dat, met name in augustus van 2002, bewezen. Maar de gebreken aan de riolering en dakconstructies staan los van elkaar.
Voor een deel hebben die gebreken te maken met ontwerp- en uitvoeringsfouten. Maar zeker zo opvallend is ook het gebrek aan onderhoud aan leidingsystemen, dakafvoeren, goten en daken. De voorbeelden geven aan dat daarmee niet alleen hinder wordt ondervonden; zeker zo belangrijk zijn de risico's voor veiligheid en gezondheid. Dat pleit eens te meer voor regels met betrekking tot controle en onderhoud van daken en van riolering in en rondom het gebouw.