Zoeken

Roofs 2004-02-14 Werken op hoogte: wetgeving en juridische aspecten

 Tijdens het ontwerp en de bouw van veel gebouwen is onvoldoende aandacht besteed aan de veiligheid waar het werken op hoogte betreft. Om gevaarlijke situaties en ongevallen te voorkomen dienen de risico’s te worden geïnventariseerd. De vraag is vervolgens wie maatregelen moet treffen: de opdrachtgever of de aannemer? Tot slot de vraag wie moet betalen. Henk van der Mark van Stichting Veilig Dak zet uiteen dat de regelgeving op dit gebied helder is.

• ing. H. van der Mark, Stichting Veilig Dak

Projectontwikkelaars en aannemers staan in de praktijk niet te trappelen om veiligheidsvoorzieningen aan te brengen, mede omdat het Bouwbesluit geen wettelijke maatregelen vereist. Arbo-wetgeving is een vereiste voor werkgevers en niet voor gebouwen. In de regel worden eigenaren en beheerders van gebouwen te laat geconfronteerd met de knelpunten die daardoor ontstaan. Het gevolg is te vaak dat onderhoudsmensen tijdens hun werkzaamheden een reëel gevaar lopen, omdat er geen veiligheidsvoorzieningen aanwezig zijn, terwijl hun werkgever verplicht is deze ter beschikking te stellen.

Bij kleine onderhoudswerkzaamheden is (collectieve) beveiliging vaak te kostbaar en tijdrovend en in veel gevallen wordt er dus zonder veiligheidsvoorzieningen gewerkt, hetgeen een strafbaar feit is en beboet kan worden. Een en ander leidt in toenemende mate tot het aanbrengen van permanente veiligheidsvoorzieningen op met name platte daken.

Arbowetgeving

De huidige wetgeving is eigenlijk het resultaat van reeds jarenlange voortschrijding van de integratie binnen Europa. In 1986 is de Europese Kaderrichtlijn VGW opgesteld. In de VGW worden een aantal aspecten betreffende veiligheid voor de betreffende lidstaten vastgelegd. Hier volgen enkele voorbeelden:

•              Iedere werkgever moet een verzuimbeleid voeren, erop gericht om het verzuim als gevolg van ongevallen en beroepsziekten te voorkomen;

•              Iedere werkgever moet alle risico’s inventariseren die binnen een bedrijf aanwezig zijn, op basis waarvan hij maatregelen kan treffen;

•              Iedere werkgever moet zorg dragen voor een calamiteiten organisatie;

•              Ieder werkgever moet persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking stellen.

De eisen als in de kaderrichtlijn vastgesteld, zijn vertaald in de nationale wet- en regelgeving van de betreffende lidstaten. Bij ons is dit de Arbo-wet.

Arbo-wet

De Arbo-wet omvat o.a.:

Algemene verplichtingen werkgever:

A.           Zorgen voor goede arbeidsomstandigheden betreffende veiligheid, gezondheid en welzijn;

B.            Met de uitkomsten van de risico-inventarisatie moet iedere werkgever een plan van aanpak opstellen in volgorde van de arbeidshygiënische strategie;

C.            Ongevallen en beroepsziekten dienen door de werkgever te worden gemeld en geregistreerd;

D.            De werkgever moet voorlichting en instructie geven over het soort werk, over de gevaren bij het werk en over hoe je deze risico’s kunt voorkomen;

E.            De werkgever moet zorgen dat de geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt.

Algemene verplichtingen werknemer:

A.           De werknemer is verplicht te werken zoals van een goed werknemer verwacht mag worden;

B.            De werknemer is verplicht te werken conform procedures en instructies;

C.            De werknemer is verplicht om gevaarlijke situaties te melden;

D.            De werknemer is verplicht om persoonlijke beschermingsmiddelen te gebruiken, indien dit voorgeschreven is en de persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking worden gesteld;

E.            De werknemer is verplicht om deel te nemen aan doeltreffende voorlichting en onderricht.

De zorg voor de veiligheid, gezondheid en welzijn is volgens de wet een gezamenlijke taak van werkgevers en werknemers.

De samenwerking en het overleg tussen de werkgevers en werknemers heeft een belangrijke plaats in de Arbo-wet. Dit overleg heeft betrekking op veiligheid, gezondheid en welzijn. Hiermee wordt bedoeld: werkoverleg over de inhoud van het werk, de organisatie van het werk, verhoudingen met chefs, verhoudingen met collega’s, ontwikkelingsmogelijkheden, fysieke werkomstandigheden.

Toewijzen van toezichthoudende taken

In de Arbo-wet wordt de mogelijkheid genoemd om aan een of meer werknemers toezichthoudende taken op te dragen, indien de werkgever niet zelf in staat is om toe te zien op de naleving van de Arbo-wet. Het gaat hierbij dus niet om het toezicht houden van bijvoorbeeld machines. Dit wordt in de wet zelfs uitgesloten. De toezichthoudende taken zijn te onderscheiden in:

1.             Toezicht op eigen personeel;

2.             Toezicht op het personeel van een andere leidinggevende functionaris;

3.             Toezicht op de bedrijfsmiddelen waar mee wordt gewerkt.

Dit is een belangrijk wetsartikel omdat in de praktijk van veel bedrijven de deskundigheid ontbreekt om toezicht te houden op de veiligheid. Wanneer de directeur en/of juridisch verantwoordelijke nalaat deze toezichthoudende taken te delegeren, dan is hij zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van alle maatregelen die de veiligheid waarborgen. Overigens is het zo dat slechts één werknemer kan worden belast met eenzelfde taak.

De redelijkerwijs clausule

In de arbeidsomstandigheden wetgeving wordt af en toe gebruik gemaakt van de ‘redelijkerwijs clausule’. De bedoeling van deze clausule is om een afweging te kunnen maken van de veiligheids-, gezondheids-, en welzijnsbelangen tegen andere belangen, waaronder ook economische. Indien deze ‘redelijkerwijs clausule’ van toepassing wordt verklaard, zullen met name de technische, operationele en economische haalbaarheid van de maatregelen worden afgewogen tegen de mate van het door de arbeid veroorzaakte gevaar voor de veiligheid.

Wat betreft het aspect ‘technische haalbaarheid’ moeten werkgevers zich in beginsel houden aan de erkende stand van de techniek, met name die in de betreffende bedrijfstak.

Bij de ‘operationele haalbaarheid’ wordt meer gekeken naar situaties waarbij de maatregelen toch niet worden genomen, omdat zij in een ander opzicht de arbeidsomstandigheden van de werknemers weer bedreigen of de productkwaliteit beïnvloeden. Of… soms het aanbrengen van voorzieningen meer risico oplevert dan het risico zelf.

Als het gaat om financiële bezwaren, zal in de praktijk met name rekening worden gehouden met ‘te hoge absolute kosten’ en verstoorde concurrentieverhoudingen. Belangrijk hierbij is dat het uitgangspunt in beginsel is dat het doelstellingenniveau niet ter discussie staat (het moet veilig uitgevoerd worden), alleen de uitvoeringsmogelijkheden in tijd en wijze worden ter discussie gesteld. Men moet dus aantoonbaar maken dat er over de verwezenlijking van een veilige werkplek planmatig is nagedacht. Dus ook hier is er noodzaak tot analyse en inventarisatie.

Arbeidsomstandighedenbesluit

In het Arbeidsomstandighedenbesluit  zijn de materiële bepalingen opgenomen:

In artikel 8.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt ingegaan op de beoordeling van persoonlijke beschermingsmiddelen om de werkgever er toe te brengen de meest doelmatige en passende middelen te kiezen. Met deze beoordelingsverplichting wordt expliciet aangegeven welke de aandachtspunten zijn die in ieder geval onderdeel moeten maken van de algemene inventarisatie en evaluatie van artikel 4 van de Arbo-wet.

In deze algemene inventarisatie en evaluatie zal moeten worden aangegeven welke  maatregelen zullen worden genomen in verband met de gevaren die de arbeid voor de veiligheid, gezondheid en welzijn van de werknemers met zich mee brengt, en de samenhang daartussen; een en ander overeenkomstig artikel 3, eerste lid van de arbeidsomstandigheden. Dit betekent, dat de inventarisatie en evaluatie tot de conclusie kan leiden dat persoonlijke beschermingsmiddelen dienen te worden verstrekt. Het gaat dan dus om de beoordeling om tot een selectie van de maatregelen te komen.

Ten aanzien van de beoordeling van de persoonlijke beschermingsmiddelen zelf geeft artikel 8.2 een procedure die als onderdeel van de inventarisatie het sluitstuk vormt. Het gaat dus om de beoordeling, toegespitst op het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen in een bepaalde situatie. Hier hoort dus duidelijk ook de beoordeling van de aanwezige gevaren die verbonden zijn aan:

A.           De persoonlijke beschermingsmiddelen zelf;

B.            Het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen;

C.            De combinatie van persoonlijke beschermingsmiddelen.

Arbobeleidsregels

In deze regels is neergelegd hoe de arbeidsinspectie met meer globale voorschriften uit de Arbo-wet en het Arbo-besluit omgaat. Voor veilig werken op daken is beleidsregel 3.16 van toepassing: doelmatige voorzieningen moeten worden aangebracht indien valgevaar van 2,5 meter of meer van toepassing is tijdens de arbeid. Dit zijn geen algemeen verbindende voorschriften. Een werkgever mag andere maatregelen nemen dan in de beleidsregels zijn voorgeschreven: indien deze maatregelen ten minste hetzelfde beschermingsniveau opleveren als de beleidsregels voorschrijven, zal de Arbeidsinspectie hiermee akkoord gaan.

Uitgangspunten

Uitgangspunten voor het veilig werken op daken is het Arbo-besluit en de Arbo-beleidsregel 3.16. Bij werkzaamheden op daken met een valhoogte van 2,5 meter of meer dienen onder andere de volgende regels in acht te worden genomen:

A.           Indien het werken zich beperkt tot werklocaties op 4 meter van de dakrand of meer, kan men zich beperken tot het aanbrengen van een markering op 4 meter van de dakrand;

B.            Indien het werken zich beperkt tot werklocaties op 2 meter van de dakrand of meer, kan men zich beperken tot het aanbrengen van een flexibele afzetting op 2 meter van de dakrand;

C.            Indien men werkt binnen 2 meter van de dakrand, dienen vaste valbeperkende voorzieningen aan de dakrand geplaatst te worden zoals leuningwerk of een borstwering van ten minste 1 meter hoog;

D.            De dakrand moet aan weerszijden van de toegang over een lengte van 4 meter voorzien zijn van een hekwerk of leuning van ten minste 1 meter hoog en de overstap van een ladder naar het dak moet veilig zijn;

E.            Collectieve bescherming geniet de voorkeur boven persoonlijke beschermingsmiddelen. Echter bij kortdurende werkzaamheden, zoals inspecties, klein onderhoud, werken aan de borstwering e.d mag gebruik gemaakt worden van persoonlijke beschermingsmiddelen.

Dat collectieve voorzieningen de voorkeur hebben boven persoonlijke beschermingsmiddelen is niet verwonderlijk, als men bedenkt dat altijd al de zogenaamde arbeidshygiënische strategie van toepassing was, namelijk een plan van aanpak volgens artikel 3 van de Arbo-wet die zegt:

Stap 1:    Bron aanpak

Stap 2:    Collectieve voorzieningen gebruiken

Stap 3:    Gebruik persoonlijke beschermingsmiddelen gebruiken.

Verder zegt de wetgeving het volgende:

Bij werkzaamheden van beperkte omvang spelen financiële, technische en operationele afwegingen een belangrijke rol in de keuze van de veiligheidsvoorzieningen. In de renovatie- en onderhoudsfase staat men wat dit betreft voortdurend voor een lastige keuze. Wanneer permanente collectieve voorzieningen ontbreken, heeft het gebruik van een deugdelijke randbeveiliging de voorkeur boven het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen. Maar dit is economisch gezien niet altijd haalbaar. De aard en omvang van de werkzaamheden is dan wel van invloed op de keuze tussen het aanbrengen van een deugdelijke randbeveiliging en het werken met vanggordels. Met betrekking tot de keuze tussen de verschillende soorten veiligheidsvoorzieningen tegen valgevaar is aan te bevelen dat het uitvoerende bedrijf criteria formuleert ten aanzien van aard en omvang van de werkzaamheden. De criteria worden vastgelegd in de risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E). Op basis van deze criteria kan worden gedacht aan het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen bij de uitvoering van de volgende werkzaamheden.

•              Dakinspecties

•              Werken aan de borstwering

•              Betimmeren van de dakrand

•              Slopen van de dakrand

•              Werken aan boeidelen

•              Werken aan sparingen

•              Vervangen dakpannen

•              Werken aan dakgoot

•              Reparaties

•              Onderhoud dakkapel of dakraam

•              Werken aan schoorsteen

•              Monteren van prefab elementen

Op basis van een inventarisatie (artikel 8.2 Arbo-Besluit en artikel 4 Arbo-wet) moet dan wel betrouwbare beoordeling plaatsvinden van de uitrusting, die hij voornemens is ter beschikking te stellen. Deze beoordeling omvat:

1.             Een inventarisatie en evaluatie van de gevaren die niet met andere middelen vermeden kunnen worden.

2.             Een omschrijving van de kenmerken die de persoonlijke beschermingsmiddelen moeten hebben om de vermelde gevaren te ondervangen, rekening houdend met de eventuele gevaarsbronnen die de persoonlijke beschermingsmiddelen zelf zouden kunnen vormen. (bijvoorbeeld plaats en sterkte veiligheidsankers (NEN 795) en/of gebruik gekeurde vanggordels (NEN 354/360/361)

Hopelijk is duidelijk geworden dat de bewering dat een inventarisatie niet noodzakelijk is bij werkzaamheden op hoogte, of dat dit niet in de wetgeving terug te vinden zou zijn, feitelijk onjuist is.

In november 2003 is Stichting Veilig Dak verhuisd naar een nieuw pand aan de Ampèrestraat te Alkmaar. Het team van de stichting bestaat momenteel uit zes personen. Stichting Veilig Dak houdt zich bezig met risico-inventarisaties. Daarnaast verstrekt de stichting het keurmerk Veilig Dak aan de hand van keurmerk-audits.