Zoeken

Roofs 2004-07-10 Probleem wateraccumulatie nog niet voldoende erkend

De risico’s van mogelijk instortende lichte stalen daken als gevolg van wateraccumulatie worden nog niet door alle partijen volledig erkend. Dat is de zorgwekkende conclusie die kan worden getrokken na ruim een jaar inventariseren en informeren door VROM-inspectie. Een nader onderzoek naar een groot aantal daken en verdere bewustwording is noodzakelijk. Een gesprek met de onderzoeker ir. E. J. Kool  en projectcoördinator drs. W. P. P. Kolner.

Winfried Kolner (links) en  Erik Kool

De voorgeschiedenis in het kort. Toen op 24 augustus 2002 op één dag meerdere platte daken van publieke instellingen instortten (o.a. IKEA Amsterdam en zwembaden te Weesp en Etten-Leur), heeft VROM-inspectie een onderzoek ingesteld naar de omvang van het risico van instortende platte daken als gevolg van wateraccumulatie. In maart 2003 werd het rapport ‘Instortingen van lichte platte daken’ gepubliceerd (eveneens gepubliceerd in Roofs 4-2003), waaruit bleek dat verdere actie noodzakelijk was. In acht aanbevelingen omtrent informatievoorziening, inventarisatie en regelgeving werden de actiepunten aangegeven (zie kader). In juni 2004 stuurde minister Dekker van VROM op basis van een inventarisatie van ruim 80% van de Nederlandse gemeenten een brief naar de Tweede Kamer over de bevindingen tot nu toe. De heer Erik Kool is projectleider van het onderzoek naar het instorten van lichte platte daken; de heer Winfried Kolner coördineerde het contact met gemeenten en bedrijven.

Aanbevelingen onderzoeksrapport

1.             eigenaren/beheerders op korte termijn attenderen op de risico’s van wateraccumulatie op lichte platte daken;

2.             ten behoeve van het attenderen van eigenaren/ beheerders een eenvoudig te hanteren checklist voor dakinspectie ontwikkelen waarmee de risico’s van de dakconstructie in beeld worden gebracht;

3.             alle gemeenten benaderen met de vraag om op korte termijn het gemeentelijk bezit aan openbare gebouwen te inventariseren op risico van wateraccumulatie. Daarbij ware ook de publieksgebouwen te betrekken waarbij de gemeente geen eigenaar is, zoals warenhuizen.  Tevens de gemeenten wijzen op hun verantwoordelijkheid ex artikel 13 Woningwet voor de overige gebouwenvoorraad;

4.             bezien of een bepaling in de Woningwet kan worden opgenomen die gemeenten verplicht om bouwkundige calamiteiten boven een bepaalde omvang te melden aan de VROM-inspectie en een onderzoek in te (doen) stellen naar de oorzaak;

5.             een systeem opzetten om bouwkundige calamiteiten te registreren en systematisch onderzoek mogelijk te maken;

6.             de professionele partijen in het bouwproces (constructeurs, architecten, aannemers, dakdekkers, loodgieters) attenderen op het fenomeen wateraccumulatie en kennis overdragen zodat een kwaliteitsslag in het ontwerp- en bouwproces van lichte platte daken wordt gemaakt. Daarbij wijzen op het belang van een wateraccumulatieberekening, die als standaardfunctie opgenomen is in de constructieve softwarepakketten;

7.             de gemeenten nogmaals wijzen op hun verantwoordelijkheid inzake bouwvergunningverlening en toezicht op de bouw. Een bouwaanvraag voor een lichte platte dakconstructie zonder een adequate wateraccumulatieberekening dient te worden afgewezen;

8.             de mogelijkheid bezien van het ontwikkelen (door de markt) van ontwerphulpmiddelen, zoals bijvoorbeeld een Nederlandse Praktijkrichtlijn (NPR), met een vereenvoudigde bepalingsmethode ten behoeve van het ontwerpen van lichte platte dakconstructies met voldoende waarborgen tegen ongewenste wateraccumulatie.

Gemeenten

Onderzoek wijst uit, dat de meeste instortingen tussen juli en oktober plaatsvinden. De bedoeling was, dat gemeenten vóór 1 juli 2003 een inventarisatie van het aantal publieksgebouwen met een lichte platdakconstructie in het gebouwenbestand zouden inleveren. Vóór 1 december 2003 zouden vervolgens de resultaten van eventueel nader onderzoek moeten zijn ingeleverd. Tot nu toe heeft ongeveer 80% van de gemeenten aan de eerste vraag gehoor gegeven. Slechts 30% van de gemeenten heeft de resultaten van het nader onderzoek ingediend. Het risico van instorting is dus nog altijd niet volledig in kaart gebracht. Met de zomermaanden in het vooruitzicht, is dat een angstige gedachte.

‘Veel gemeenten geven aan meer tijd nodig te hebben,’ aldus Kolner. ‘In het algemeen is er bij de gemeenten m.i. geen sprake van onwil. Men ziet wel de noodzaak van een intensieve controle in, maar de datum van inlevering is hen niet haalbaar gebleken: deze actie betekent een extra belasting voor de beperkte capaciteit van de gemeenten. Per gemeente bekijken we wat dan wél haalbaar is, zodat we toch optimaal resultaat uit de inventarisaties kunnen halen.’

‘Natuurlijk zijn er ook geluiden te horen dat VROM te sterk reageert op een incident, en geven gemeenten aan andere prioriteiten te hebben. In deze gevallen kunnen wij helaas niet veel meer doen dan voortdurend aandacht vragen voor deze actie en gemeenten te wijzen op het risico en hun verantwoordelijkheden.’

In de gemeenten die hun inventarisatie hebben ingeleverd, was bij 6345 daken nader onderzoek nodig. Van dit aantal is inmiddels 23% onderzocht (1467 daken); hiervan bleek meer dan de helft risicovol te zijn (775 daken). Kool vertelt: ‘Dikwijls zijn risicovolle situaties met een eenvoudige maatregel te verhelpen, zoals het aanbrengen van (extra) noodafvoeren of richels op het dak om het hemelwater naar het juiste afvoerpunt te geleiden. Slechts in extreme gevallen zijn constructieve aanpassingen nodig. Dit is aan de constructeur om te beoordelen.’

Overigens zijn zelfs de gemeenten die hun inventarisatie  hebben afgerond, niet volledig zeker van een veilig dakenbestand. Op 30 april 2004 stortte het dak van een keukenshowroom in gemeente Loon op Zand in, een gemeente die de inventarisatie al had afgerond. Dit dak was echter niet geïnventariseerd, omdat het niet onder de publieke gebouwen was gerekend.

Eigenaren en beheerders

De schade bij calamiteiten beperkt zich in veel gevallen niet tot die aan het gebouw en de inboedel zelf. De grootste financiële gevolgen komen vaak voort uit de gevolgschade: het stilvallen van het productieproces. In de meeste verzekeringspolissen is schade door dakinstorting als gevolg van wateraccumulatie uitgesloten. Vervolgschade door het binnendringen van hemelwater is doorgaans wel gedekt. Dit levert bij de schadeafwikkeling meestal veel discussie op, terwijl de verzekering uiteindelijk maar een (gering) deel van de schade vergoedt.

Kool: ‘Gebouweigenaars of beheerders zijn verantwoordelijk voor de toestand van het dak. Wij hebben zo’n 68.000 bedrijven rechtstreeks aangeschreven om deze problematiek onder de aandacht te brengen en hen bewust te maken van hun verantwoordelijkheid. Wij hebben de indruk dat vooral de grote bedrijven deze verantwoordelijkheid goed oppakken. IKEA heeft na de dakinstorting op 24 augustus 2002 in alle openheid gehandeld en de daken van alle vestigingen zodanig aangepast, dat nu alle daken voldoen. Het bedrijf heeft hiermee een voorbeeldfunctie vervuld.’

Maar lang niet alle gebouweigenaren hebben de noodzakelijke maatregelen genomen, stelt Kolner. ‘Een kleine enquete heeft ons geleerd dat slechts ongeveer de helft van de door ons aangeschreven bedrijven de brief ook daadwerkelijk heeft gelezen, en dat een deel van de gebouweigenaren nog steeds de problemen niet serieus neemt. Het blijft dus nodig deze mensen te benaderen, rechtstreeks en via de media, om iedereen bewust te maken van de risico’s.’

Rol van de dakdekker

‘De slechtste reactie van de dakenbranche zou nu zijn: de problemen te bagatelliseren en denken dat het allemaal wel losloopt,’ zegt Kool. ‘Aan de andere kant schiet ook niemand er iets mee op als er onnodig paniek wordt gezaaid. Het is belangrijk dat men zich in de dakenbranche bewust is van het risico van wateraccumulatie en de problemen kan signaleren. Men moet daar alert op zijn. De taak van een dakdekker, of wie dan ook op het dak, is, als hij problemen signaleert, de constructeur of de eigenaar te waarschuwen, die vervolgens maatregelen kan nemen. Hij moet niet proberen de problemen zelf op te lossen, dat kan leiden tot onverantwoorde oplossingen, die schijnveiligheid creëren.’

Regelgeving

Ook de huidige bouwregelgeving wordt kritisch bekeken. Kool: ‘De regelgeving voldoet. Als alle gebouwen aan de bouwregelgeving zouden voldoen, zou dit probleem niet spelen. De dakinstortingen vonden dan wel plaats tijdens hevige regenbuien, maar de norm is berekend op veel extremere weerssituaties. Bij een dakinstorting is er zelden één oorzaak aan te wijzen, het is meestal een combinatie van factoren. De hele bouwketen moet dus voldoen aan de daartoe gestelde normen. Daarnaast is het belangrijk regelmatig onderhoud uit te voeren: dus een dak meerdere malen per jaar te inspecteren en te controleren op bijvoorbeeld verstopte afvoeren.’

‘Tegenover de goede en volledige regelgeving staat het gegeven dat de bouwregelgeving dikwijls als te complex wordt ervaren. Daarom is begonnen met de ontwikkeling van een nieuwe Nederlandse Praktijkrichtlijn (NPR), waarin de bepalingsmethode ten behoeve van het ontwerpen van lichte platte dakconstructies vereenvoudigd zal worden weergegeven. De bouwnorm gaat uit van de klimatologische omstandigheden van zo’n 20 jaar geleden. Wij wilden, als we dan toch een nieuwe NPR zouden ontwikkelen, uitgaan van de laatste gegevens van het KNMI. Die worden op het moment verzameld en verwerkt. Het is de bedoeling dat de NPR in concept eind dit jaar gepubliceerd wordt.’

Het ziet ernaar uit dat het laatste woord nog niet gezegd en geschreven is over dit onderwerp. ‘Er hebben zich bij de calamiteiten tot nu toe geen persoonlijke ongelukken voorgedaan,’ zegt Kolner. ‘Dat is een geluk bij een ongeluk. Het is echter noodzakelijk het risico, dat er in de toekomst wél slachtoffers vallen, te minimaliseren.’ Ook Kool is er niet gerust op. ‘Het vergt een actievere houding van alle (bouw)partijen om deze wat beschamende situatie in de Nederlandse bouwwereld op te lossen.’