Zoeken

Roofs 2004-08-14 De dynamiek van besluitvorming

Regelgeving komt tot stand door overleg in commissies, waarin zowel wetenschappers als mensen uit het bedrijfsleven zijn vertegenwoordigd. Dikwijls levert dit bevredigende resultaten op, maar soms wordt de markt als gevolg van verkeerde keuzes in zinloze ontwikkelingen gestort. Harry Cremers en Gert Rademaker van EcoTherm uiten hun bezorgdheid. ‘De besluitvorming rond wet- en regelgeving is een complex geheel van technische overwegingen en politieke en emotionele argumenten,’ aldus directeur Harry Cremers. ‘Het is van cruciaal belang te bedenken wie op welke manier de commissie informeert. Welk belang dienen zij? Is dat het algemeen of het bedrijfsbelang? Elke marktpartij zal koste wat het kost zijn eigen handel beschermen. En soms is de regel die uiteindelijk tot stand komt het resultaat van compromissen, wat niet altijd de effectiviteit van de regelgeving ten goede komt. Het is in onze optiek van groot belang dat alle partijen zich in ieder geval van deze dynamiek bewust zijn.’ Kyoto Gert Rademaker, per 21 juni de nieuwe Sales en Marketing Director van EcoTherm (zie Nieuwslijn), vertelt: ‘Een goed voorbeeld van besluitvorming op emotionele gronden is de verstandhouding van de Verenigde Staten tot het Kyotoprotocol. De Verenigde Staten hebben het verdrag nooit ondertekend, uit binnenlands politieke overwegingen. Maar nu de film The day after tomorrow, een science fiction verhaal over de gevolgen van het broeikaseffect, in de VS een groot succes is, lijkt de Amerikaanse politiek, als gevolg van de maatschappelijke druk, de problematiek ook serieus te gaan nemen. Of deze kentering ook echt aan de film is toe te schrijven, blijft natuurlijk de vraag, maar het leidt geen twijfel dat de publieke opinie eveneens een belangrijke sturende rol speelt in de besluitvorming. Daarbij wordt echter lang niet altijd uitgegaan van geldige argumenten.’ Cremers zet uiteen: ‘Om de uitstoot van CO2 te beperken, zijn twee zaken van belang: een efficiënt energiegebruik en een optimale thermische isolatie. De eisen die in ‘Kyoto’ staan geformuleerd, bieden de markt grote kansen. Maar uit oogpunt van marketing, of misschien ook wel met de beste bedoelingen, wordt door verschillende partijen de aandacht op andere eigenschappen van het isolatiemateriaal gevestigd, die ook belangrijk zijn, maar waarover de discussie in onze optiek op een verkeerde manier wordt gevoerd. Ook ontstaan er, doordat er verkeerde prioriteiten worden gesteld, onzinnige situaties, waar de isolatiebranche mee om moet gaan, omdat het nu eenmaal de regels zijn.’ Brandveiligheid Als voorbeeld noemen de heren de regelgeving rond brandveiligheid van isolatiematerialen. ‘Een belangrijk onderwerp,’ beaamt Rademaker. ‘Daarom is het ook belangrijk dat men de juiste uitgangspunten kiest. Door de rookclassificatie, waar Nederland binnen Europa de enige mee was, te willen handhaven, dienden alle isolatiematerialen minimaal aan brandclassificatie D te voldoen. De impact hiervan is enorm, verschillende fabrikanten dienen hun producten aan te passen om aan deze norm te voldoen. Wij hebben mede daarom recent een nieuwe productielijn geïnstalleerd (zie Roofs 4- 2004). Anderzijds raakten de brandeisen om deze reden aan inflatie onderhevig. Men kan daarom de vraag stellen of de markt gediend is met deze ontwikkelingen.’ Cremers: ‘Ik heb daarnaast het idee dat het belang van de brandbaarheid van een naakt isolatiemateriaal vaak te eenzijdig bekeken wordt. Het naakte isolatiemateriaal wordt immers altijd in een bepaalde toepassing gebruikt in een gebouw. Het heeft dus meer zin het product in zijn toepassing op brandbaarheid te toetsen (zie hiervoor ook het artikel ‘Huidige brandclassificatie discrimineert gecacheerde isolatieproducten’ in Roofs 5-2004). In de beoordeling op basis van het naakte product zijn er isolatiematerialen die minder brandbaar zijn dan PIR, terwijl het verschil in de toepassing, waar het materiaal tenslotte voor bedoeld is, verwaarloosbaar is.’ Onafhankelijke partij De situatie rond brandveiligheid is maar een voorbeeld, zo stelt Cremers. Er zijn volgens hem legio voorbeelden te noemen. ‘Ook bij andere eisen die aan isolatiematerialen worden gesteld, zoals bijvoorbeeld beloopbaarheid, zullen de producenten die op deze punten goed scoren, hun uiterste best doen de kwaliteit prominent in de regelgeving vastgelegd te krijgen. Als dat relevant is voor de toepassing, dan is daar ook niets mis mee. Problematisch wordt het, als producenten van producten die hier niet goed op scoren de regelgeving proberen te vertroebelen om dit te maskeren. Zo zijn er in het verleden wel eens pogingen ondernomen om ponsweerstand als maat voor beloopbaarheid in de normen op te nemen. Dat is gelukkig niet gebeurd.’ ‘Regelgevers hebben dikwijls een helder, maar theoretisch idee van hoe het zou moeten zijn. Het is vervolgens van belang je te realiseren hoe de regelgever aan informatie over de praktijk komt. Wie verstrekt deze informatie op welke manier, en welk doel heeft de informatieverstrekker? Dikwijls schuilt er een agenda achter het beleid, die is ingegeven door marketingargumenten en die niet zoveel te maken heeft met het algemeen belang van de markt. Ook certificerende instanties is een zeker marktdenken natuurlijk niet vreemd, en dat is ook niemand kwalijk te nemen. De vraag is alleen: hoe ver moet je daarin gaan? Uiteindelijk zal een onafhankelijke partij de afweging moeten maken welke regels nodig zijn en welke niet. Men zal een zo helder en evenwichtig mogelijke beslissing moeten nemen over zinvolle regelgeving: welk doel streeft men na, wat is haalbaar?’ Dit is gemakkelijker gezegd dan gedaan, realiseert ook Cremers zich. ‘Er zal altijd een marktpartij zijn die een eigen alternatief biedt voor de objectieve normering, zoals recent is gebeurd, toen NIBE een eigen beoordelingslijst tegenover de MRPI (Milieu Relevante Product Informatie) stelde. Dit zijn vervelende ontwikkelingen, omdat het de verwarring vergroot en daar wordt het marktbelang niet mee gediend.’ Verder kijken ‘Er zal altijd een percentage regelgeving zijn, waar de producent het nut niet van inziet, en waar hij zich maar in schikt, omdat die regel er nu eenmaal is,’ aldus Rademaker. ‘Dat neemt niet weg, dat het voor alle partijen raadzaam is verder te kijken dan de neus lang is. Dat gebeurt naar mijn mening nog te weinig. Zo is, om maar een voorbeeld te noemen, de keuze op basis van aanschafprijs voor de gebruiker op de lange termijn niet altijd de meest voordelige keuze. Vaak maakt men echter een keuze die louter is gebaseerd op een vergelijking tussen de direct zichtbare aanschafprijzen. De producent heeft het recht om voor zijn eigen handel op te komen, maar moet zich realiseren dat daar andere, vaak essentiële, belangen voor in het geding komen. En de regelgever dient zich bewust te zijn van de complexe dynamiek die aan besluitvorming vooraf gaat. Eco- Therm heeft al allerlei initiatieven genomen, zoals een Architectendag, om de verschillende bouwpartijen voor te lichten in deze materie, zodat men in de toekomst beter kan anticiperen op de mitsen en maren van regelgeving.’ ¡