Zoeken

Roofs 2005-04-14 Het dak als nieuw maaiveld

Intensief gebruik van de bouwgrond, betere spreiding van bevolkingsgroepen, hernieuwde vitaliteit van de stad – het zijn slechts enkele beoogde effecten van het bouwen op daken, ofwel: ‘luchtgebonden bouwen’. Met een fraai vormgegeven boekwerk breken de architect Eric Vreedenburgh en publicist Ed Melet een lans voor deze bouwpraktijk: ‘Luchtgebonden bouwen. Bouwen op een opgetild maaiveld.’ Een korte analyse aan de hand van de publicatie.

Het boek beschrijft een aantal maatschappelijke en geografische ontwikkelingen in Nederland, die een intensiever gebruik van het dak als bouwlocatie wenselijk maken. Het historische stadscentrum heeft volgens de auteurs zijn functie verloren: voor een prettige samenleving is er eenvoudigweg te weinig ruimte om bijvoorbeeld groenvoorzieningen, sportfaciliteiten, kantoorruimten of parkeerplaatsen aan te leggen. Men woont en werkt dikwijls in beter bereikbare en ruimere gebieden buiten de stad: Vinex locaties en industrieterreinen. De stad neemt hierdoor steeds meer ruimte in, terwijl het centrum in vergelijking met zo’n veertig jaar geleden minder inwoners heeft en minder bedrijvigheid kent. Bovendien vertrekken voornamelijk de kapitaalkrachtige mensen uit de stad, wat de stad voor economische en maatschappelijke problemen stelt. De meeste steden hebben inmiddels maatregelen genomen in de vorm van de bouw van fraaie woon- en werkwijken op verlaten industrieterreinen, zoals bijvoorbeeld de Kop van Zuid in Rotterdam en het Oostelijk Havengebied in Amsterdam. Maar in het algemeen wordt een belangrijke bouwlocatie over het hoofd gezien: het dak.

Optoppen versus luchtgebonden bouwen

‘Luchtgebonden bouwen’ is een ander fenomeen dan het vaker toegepaste ‘optoppen’. Bij optoppen wordt op een bestaand gebouw één of meerdere extra verdiepingen aangebracht. Het doel hiervan is enkel het volume van een gebouw te vergroten, het resultaat is in de meeste gevallen juist een intensiever gebruik van de grond. Dit is direct het fundamentele verschil met het zogenaamde ‘luchtgebonden bouwen’: hier wordt een nieuwe dimensie aan het oorspronkelijke gebouw toegevoegd. Het architectonische contrast speelde een belangrijk element in de meeste tot nu toe gerealiseerde luchtgebonden gebouwen. Het op het dak gebouwde gedeelte kan aanleiding bieden tot de ontwikkeling van innoverende concepten en systemen; er kan bijvoorbeeld geëxperimenteerd worden met methoden om flexibel en demontabel te bouwen. Het gaat in dit verband niet enkel om de bouw van extra woon- of werkruimte: ook kan gedacht worden aan de aanleg van parken en sportvelden op het dak.

Bouwpraktijk

Volgens een globale, maar zeer voorzichtige schatting moet het mogelijk zijn om in een stad als Den Haag 500.000 vierkante meter te bouwen (zo’n 3600 woningen) op slechts 2,3% van de bruikbare platte daken (de woningen van vóór 1910 zijn niet meegerekend, omdat deze de last van een extra laag waarschijnlijk niet kunnen dragen).

Dit gebeurt momenteel in de praktijk echter nauwelijks. Hiervoor voeren de auteurs verschillende redenen aan. Bouwen op het dak vraagt een geheel andere werkwijze, waarbij lichte bouwsystemen dienen te worden toegepast die in Nederland nog niet gangbaar zijn. Gebouweigenaren en gebruikers zitten vaak niet te wachten op een dergelijke ingrijpende bebouwing op het dak. De zogenaamde ‘ontsluiting’ van het dak vormt een probleem: hoe bereiken de gebruikers het dak? In veel gevallen zal hiertoe de bestaande lift moeten worden verlengd of een nieuwe lift worden gebouwd, wat een kostbare ingreep betekent. Ook gemeenten staan niet te trappelen om aan de slag te gaan met het bouwen op het dak: zij dijen in de regel liever uit dan dat ze de hoogte in gaan:dat is eenvoudiger, goedkoper en leidt wellicht in de toekomst tot meer prestige.

De installaties vormen een ander probleem. De rookgas- en ventilatiekanalen dienen vanzelfsprekend om of door de nieuwbouw getrokken te worden. De auteurs pleiten ervoor de leidingen door het luchtgebonden gebouw te leiden: op deze manier kunnen de leidingen hun ‘natuurlijke’ verloop houden (ze worden enkel verlengd) en kunnen de leidingen van de nieuwbouw eenvoudiger op het bestaande netwerk worden aangesloten – natuurlijk wel na een berekening of de leidingen de extra gassen wel kunnen afvoeren. Hetzelfde geldt voor aansluiting op het rioleringssysteem en water, gas en elektra. Het gebouw op het dak dient bovendien natuurlijk in alle gevallen te voldoen aan de regelgeving met betrekking tot nieuwbouw (denk hierbij bijvoorbeeld aan vluchtwegen, brandvoorzieningen, etc.); al deze zaken maken dat de bouwpraktijk van het zogenaamde ‘luchtgebonden bouwen’ een uitgelezen gelegenheid biedt voor de ontwikkeling van innovaties.

Zwarte Madonna

In de uitgave staat een groot aantal afbeeldingen afgedrukt van aansprekende voorbeelden van reeds gerealiseerde projecten (veelal internationaal) of tekeningen van plannen daartoe. Zo zijn er fraaie foto’s te bekijken van bijvoorbeeld het Nederlands Paviljoen op de Expo 2000 in Hannover en het Operagebouw van Lyon. Maar ook bijvoorbeeld de plannen die architectenbureau Archipelontwerpers ontwierp om de sloop van de Zwarte Madonna in Den Haag te voorkomen, worden uitgebreid besproken.

De auteurs hebben het boek met opzet gelaagd opgebouwd: de tekst bevat geen zorgvuldig opgebouwd betoog, maar bestaat uit verschillende korte of langere teksten die afwisselend het standpunt uitdragen dat er in de toekomst meer aan luchtgebonden bouwen moet worden gedaan, termen verklaren, problemen toelichten, theorieën uit het verleden die deze bouwpraktijk ondersteunen uiteenzetten en projecten beschrijft. De retorische kracht van dit boek schuilt dan ook niet zozeer in de argumenten van de auteurs, die zonder veel structuur over de lezer worden uitgestort, maar eerder in de fraaie afbeeldingen die inspirerend werken. Of het boek haar doel bereikt, en er in de toekomst meer op het dak gebouwd zal worden, blijft natuurlijk de vraag. Maar het is een begin.

Ed Melet en Eric Vreedenburgh: Luchtgebonden bouwen. Bouwen op een opgetild maaiveld. Rotterdam: NAi Uitgevers, 2005. ISBN: 90-5662-362-1.