Zoeken

steilDAK 2022-1-22 “We moeten er samen voor zorgen dat ons ambacht niet uitsterft”

Aan tafel met… Jurgen van Keulen

In deze rubriek laat steilDAK markante personen van binnen en buiten de dakenbranche aan het woord. De insteek is om de visie en de persoon achter die visie voor het voetlicht te brengen.

Nolanda Klunder

Jurgen van Keulen is directeur-eigenaar van JVK Ambachte­lijke Dakbedekkingen, gespecialiseerd in zinken, koperen, loden en leien dakbedekkingen. Het bedrijf heeft een ­imposante lijst projecten op zijn naam staan. Een hoogtepunt is natuurlijk de restauratie van de koepel van de Saint Louis Kapel in Oudenbosch, een van de drie genomineerden op de shortlist voor Dak van het Jaar 2020. Maar de lijst is veel langer: de voormalige Seeligkazerne in Breda, de Rooms-Katholieke kerk in Sluis, Villa Welgelegen in Rotterdam en de Kathedraal en de Stadsbibliotheek van Antwerpen – om er maar een handvol te noemen van de lijst met tientallen projecten.

Het mooiste ambacht dat er bestaat

Jurgen van Keulen wist al heel jong dat hij ambachtelijk dakdekker wilde worden. “Mijn overgrootvader begon zijn bedrijf in 1895. Ik ben de vierde generatie die in het vak zit; het vak is me met de paplepel ingegoten. Op mijn vierentwintigste was ik al ondernemer. Ik vond en vind het een machtig mooi vak. Leidekken, zinkwerken, loodgieten, koperslagen, het is werkelijk het mooiste ambacht dat er bestaat. Ik hoop dat mijn dochter het bedrijf later wil overnemen, misschien samen met één of twee mensen die nu binnen het bedrijf werken.” Vanwege zijn vele projecten over de grens heeft Van Keulen begin 2021 ook een Belgisch bedrijf opgericht, JDC: “De J van Juliëtte, de naam van mijn dochter. En ‘DC’ staat voor de Franse vertaling van onze achternaam, De Cologne. In dat opzicht is alles klaar voor haar opvolging. Maar laten we eerlijk zijn: dat kan alleen als er over een jaar of tien, twintig jaar nog mensen zijn die het ambacht kunnen uitoefenen.”

Dat laatste spreekt niet vanzelf, benadrukt Van Keulen. “Het imago van ons vak kan beter. Het vak is naar mijn weten onbekend en daarmee een beetje onbemind. Daarin verschilt Nederland van bijvoorbeeld Duitsland en Frankrijk. Op vakbeurzen in Duitsland zie ik mensen in vaktenue. Ze gaan daar in overall naar de beurs, omdat ze trots zijn op hun vak. Of neem Frankrijk: een ambachtsman heet daar ‘patron’ en heeft hetzelfde aanzien als een ingenieur. Patrons lunchen in Parijs in de beste restaurants. In Duitsland en Frankrijk is er respect voor de man in overall, men weet dat de mensen zonder visitekaartjes het belangrijkste werk doen.”

Jonge mensen enthousiasmeren

Van Keulen: “Ik wil strijden voor meer bekendheid en meer animo voor ons ambacht. Ons vak moet meer aanzien krijgen. Ik maak me oprecht zorgen: straks bestaan er geen goede leidekkers en zinkwerkers meer. Die trend is nu al aan de gang. Ik heb een groot bedrijf met veertig medewerkers. Gelukkig heb ik nog aanwas, maar dat gaat niet vanzelf: een deel van de mensen die nieuw binnenkomen stroomt weer uit, omdat ze het vak te moeilijk of te zwaar vinden of er niet geschikt voor blijken. Ik investeer er veel in om die anderen te behouden, te enthousiasmeren, te begeleiden. Ik heb zojuist iemand van 62 een vast contract gegeven. Een extreme vakman uit België die door gezondheidsproblemen thuis was komen te zitten. Hij wilde graag het vak weer in omdat hij zo van het werk genoot. Ik ben het met hem gaan proberen en geef hem nu een vast contract. Hij is zó goed in zijn vak. Mijn doel is het om de mensen in ons bedrijf succesvol te maken, maar dat kan alleen als ze in het vak komen en blijven.”

“Een deel van het probleem is mijns inziens het wat oubollige imago van het vak, terwijl het vak juist heel bijzonder en vooruitstrevend is. Als je op een feestje vertelt over dit beroep, weten ze nauwelijks wat het inhoudt en beseffen ze niet dat het een ruig en sexy beroep is. We moeten in de branche jeugdiger gaan denken. Er moet iets gebeuren, naar voorbeeld onder andere meer adverteren in de media en folders afleveren bij ambachtsscholen. Alles wat maar mogelijk is om ons mooie vak bekendheid te geven. Je moet de groep 16- tot 23-jarigen bereiken. Zij hebben geen idee wat een leidekker of zinkwerker doet en van een koperslager hebben ze al helemaal nooit gehoord. Je moet ze vertellen hoe mooi dit beroep is. Dat moeten we als dakenbranche samen doen. Daar zie ik eerlijk gezegd te weinig van, al is de wil er wel.”

Hogere lonen zouden kunnen bijdragen aan de aantrekkelijkheid van het vak, zegt Van Keulen. “Is het niet raar dat een automonteur een hoger uurloon vraagt dan een ambachtelijk dakdekker? Terwijl er misschien meer daken dan auto’s zijn – iedereen heeft immers een dak nodig. Automonteurs verdienen al gauw 65 tot 75 euro exclusief BTW per uur. Zulke uurlonen kan ik voor mijn mensen niet vragen, want dan prijzen we ons uit de markt. Willen we de lonen omhoog krijgen, dan moeten we ook dat in de branche samen doen. Uurlonen voor iedereen omhoog, daar pleit ik voor.”

Chiquer

“Wat naar mijn mening ook niet goed is voor het imago van het vak, is dat er op de bouwplaats soms geen aantrekkelijke omstandigheden zijn. Ik zie bijvoorbeeld nog vaak smalle trappen bij steigers, in plaats van Z-trappen waarop je makkelijker naar boven loopt. Dat maakt verschil als je tien keer op en neer moet. Soms zijn er te weinig bouw­liften of ouderwetse steigers. Ik heb zelf een steiger ontwikkeld met een speciale daklift. Daarmee maak je het werk een stuk lichter. We zijn het nu aan het doorontwikkelen, het werkt geweldig. Kijk eens naar de andere omstandigheden op de werkplek. Soms is het toilet vies. Soms is de bouwkeet vies. Daar ga je als vakman je lunch toch niet opeten? Dan snap je wel dat de jeugd geen positief beeld heeft van werken in de bouw. Zulke omstandigheden zijn niet van deze tijd. Wil je jongeren aan je binden, dan mag het allemaal wel wat chiquer en beter verzorgd worden.”

“Er moet iets gebeuren”, besluit Van Keulen. “De behoefte aan leidekkers, zinkwerkers, loodgieters en ­koperslagers verdwijnt nooit; sterker nog, zink en lei zijn sterk in opkomst. Maar als we niet samen de schouders eronder zetten, sterft ons vak uit door desinteresse.”